Wat me van het hart moet

https://www.standaard.be/cnt/dmf20210106_97885557

‘Er moet me iets van het hart.’ Ik ben in het ouderlijk huis in de Dordogne en ruim de papieren van mijn moeder op. Elk kattebelletje, elk interview, alles wat door of over haar broer Johan Anthie­rens werd geschreven, heeft ze bijgehouden. Mijn oog valt op deze aanhef en ik lees snel. Het valt me op hoe persoonlijk Johan schrijft. Hij heeft het over zijn leven, de mensen die hem nabij­ zijn. Nu ik me op een scharniermoment in mijn leven bevind, moet er me ook iets van het hart.

Volgende week gaan mijn partner en ik in de mooie Franse stad Nancy wonen. Het is een chassé-croisé met mijn ouders, die onlangs hun intrek namen in een rusthuis in Wallonië. Ik begin als hoogleraar aan de Université de Lorraine en verlaat de Belgische academische wereld. Ik was er beter betaald en had er een betere sociale bescherming, maar voor het soort onderzoek dat ik wil doen – experimenteel psychoanalytisch talig onderzoek – was er uiteindelijk geen geld. Do research or die trying, zo denk ik erover.

In deze coronacrisis heb ik me meestal sober opgesteld. Ik heb vaak met open geest geluisterd naar sceptische opmerkingen, fervent het recht op kritische oppositie verdedigd en experts tot meer bescheidenheid in hun communicatie verleid. Maar nu in mijn leven­ de dood om me heen waart – mijn vader die me met covid-koorts en terreur in de blik aankijkt, mijn moeder bij wie het licht zachtjes uitdooft, hun rafelende liefdesverhaal – moet er me iets van het hart.

Wat doet het ertoe of de coronatests over- of ondergevoelig zijn? Wat doet het ertoe of je de cijfers in verhouding moet plaatsen tot het aantal afgenomen tests, of je rekening moet houden met hun gevoeligheid, met de aard van de geteste populatie? Wat doet het ertoe of het dezelfde of andere coronavirussen zijn die mensen ziek maken? De waarheid van deze crisis speelt zich niet af op papier of in intellectuele discussies. Ze speelt zich af in de realiteit, en die is gewelddadig. Het gaat om geweld wanneer mensen ziek worden en sterven, wanneer ze hun broodwinning verliezen, wanneer het krap wordt op het einde van de maand, wanneer de jongsten, de oudsten, de zieksten verloren raken in het isolement en het verdriet van de verwijdering. Het gaat om geweld wanneer jongeren zich verliezen in zelf­vertwijfeling en hopeloosheid.

Ik loop door de oude foto’s, de briefjes en de brieven tussen mijn moeder als jonge vrouw en haar moeder, hun intense liefde op een achtergrond van verdriet. Het zijn hand­geschreven, slordige brieven van mijn oma aan mijn moeder: ‘Kindeke mijn, mijn lutte­petut, lieve dochter.’ Met de dood zo nabij, de nakende dood ook van grote liefdes­verhalen, worden de woorden scherper en de waarheid urgen­ter: het doet er niet toe, het doet er absoluut niet toe.

Welke kant we ook uitkijken, er is geen uitweg die niet gewelddadig is. Het komt uiteindelijk goed, maar ondertussen is geweld onvermijdelijk. En daarom moeten we iets doen wat we niet graag doen: bedenken dat er een hiërarchie is binnen vormen van geweld. Ziekte, dood, armoede, isolement en angst zijn altijd vreselijk – en toch is er een hogere trap van geweld.

Herinnert u zich de verschrikking van een slachtoffer bij de aanslag in Zaven­tem, dat om de ene man te kunnen helpen, een andere moest laten sterven? Hoort u nog Laetitia, de verpleegster op intensieve zorg, in tranen: ‘Je moet die mensen in de ogen kijken en zeggen dat je hen niet zal kunnen helpen’? Dat is een hogere trap van geweld. Wanneer we, deze pandemie relativerend, mensen verplichten anderen te laten vallen of niet te hulp te komen – of dat nu jonge of oude, zieke of gezonde mensen zijn – overtreden we een basiswaarde van de beschaving, die van de onvoorwaardelijke broederlijkheid: de belofte dat we elkaar nooit in nuts­termen, maar steeds in liefdestermen zullen bejegenen.

Telkens wanneer we die belofte overtreden, wanneer we afwegingen maken over wie het meer waard is om in leven te blijven, davert de beschaving op haar grondvesten. In de geschiedenis van de mensheid zal het er niet toe doen of dat nu was op basis van overdreven of juiste cijfers, op basis van één of meerdere virus­stammen. Over honderd jaar zijn zulke discussies anekdotiek voor doctoraatsstudenten. Wat we zullen onthouden, is of we in deze crisis waardig bleven­ als mensen, en steeds alles over hadden voor elk van ons.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *