De aanstekelijkheid van een prikje

Ariane Bazan

Donderdag 2 juni 2022 om 3.25 uur

Op het einde van de 19de eeuw genoot psychiater Jean-Martin Charcot, hoofd van de ­afdeling ‘geestesgestoorden’ in het Parijse ziekenhuis La Salpêtrière, een mediatiek succes. In zijn afdeling verbleven vrouwen die het etiket ‘hysterica’ droegen. Charcot maakte komaf met het hardnekkige idee dat die ­dames hun lijden zouden veinzen. Zo had de Britse arts Thomas Sydenham hen twee eeuwen voordien nog ‘de grote bedriegers’ genoemd.Hysterische en lichamelijke symptomen kun je vaak niet van elkaar onderscheiden. Soms vertonen patiënten verstijfde of verdoofde ledematen, maar geen enkel lichamelijk letsel kan die stijfheid of die anesthesie verklaren. Charcot, die graag in het openbaar optrad, kon dankzij een toestelletje op de arm, dat de minste beweging opschaalt, aantonen dat er bij een ‘hysterische’ verstijving niet de minste trilling was, terwijl dat wel duidelijk het geval is als je een vrijwilliger vraagt om zo’n verstijving te veinzen.Een andere keer prikte hij onverwachts met een naald in de arm van een patiënte met hysterische anesthesie: ze schrok niet op. ­Hysterica’s simuleren dus niet, zei Charcot: hun arm, om bij het laatste voorbeeld te blijven, is wel degelijk fysiologisch verstijfd of verdoofd.Het publiek en de medische ­wereld twijfelden. Charcot maakte op basis van de toen pas uitgevonden fotoreproductie een catalogus van de verschillende stadia van de ‘reguliere hysterische ­crisis’. Zo heette een van die stadia de ‘passionele kruisigingshouding’. Het viel confraters op dat die alleen bij de dames van La Salpêtrière voorkwam. Toen het fenomeen ook door een collega, zoals Hyppolyte Bernheim in Nancy, bij enkele van zijn patiënten werd opgemerkt, ging het over vrouwen die eerder een tijd in La Salpêtrière hadden verbleven. Ze nemen het van elkaar over, was de conclusie, en dan denken we automatisch toch aan simulatie.GroepsdrukOok op de weide tijdens het festival We R Young in Hasselt zou de ­paniek bij één jongere of enkele jongeren ontstaan zijn, die misschien wel of misschien niet een prik kregen. De emotie zou dan snel door anderen, wellicht zonder prik, zijn overgenomen en tot ‘massahysterie’ hebben geleid. Het ­lijden daarbij – de benauwdheid, de ademhalingsproblemen, het flauw­vallen – zijn echt.Hoe kun je nu ­gedrag van elkaar overnemen zonder te doen alsof? Charcot toonde aan dat onder hypnose ook niet-hysterische mensen hun arm kunnen stijfhouden zonder te trillen. Toch is hypnose geen fysieke ingreep, maar ­alleen een suggestie die we, veelal door omstandigheden van groepsdruk, hoge emotie of gezag, zonder kritiek aanvaarden. Dat idee – ‘ik ben verdoofd’ of ‘ik ben geprikt’, bijvoorbeeld – wordt zonder die controle een ‘vrije’ gedachte, die effecten in het lichaam kan veroor­zaken, zoals verdoving, maar ook ­pijn­reacties of zelfs flauwvallen.Het incident op de festivalweide maakt duidelijk dat mensen soms ­onkritisch elkaars mentale wereld over­nemen. In hechte groepen of bij felle emoties gaan ideeën makkelijker over van mens op mens, en uiteindelijk is ­iedereen er vatbaar voor. Wat journalist Stein Falk daar vorige week in het VRT-Journaal over zei, was opmerkelijk: ‘Je mag er niet aan denken dat op grote festivals deze zomer paniek of hysterie ontstaat of – het is ook moeilijk om er een verslag over te brengen’. Het was alsof Falk tijdens het spreken zelf de maat nam van de mogelijke impact van zijn woorden – dat hij zelf misschien wel mensen onbewust op het idee zou kunnen brengen – en daar even voor ­terugdeinsde.Diagnose voor ontredderingIedere mens kampt in zijn leven met onbestemde angsten, onvatbare mislukkingen en afwijzingen, en de onmogelijkheid om de vinger op de wonde te leggen maakt de gevoelens ellendiger. ‘Misschien ben ik wel gek aan het worden, of komt het nooit goed met me’, denken we soms. Maar dankzij de ­mogelijke oorzaken voor ontreddering die de ronde doen, en waar vaak een medische uitleg voor bestaat, kunnen we dat onbehagen concreet aan iets vastknopen. Dat lucht op en zo laten we die informatie onkritisch toe.Tegenwoordig doen termen als ­hyperactiviteit, burn-out, hoog­begaafdheid, hoogsensitiviteit of ­borderline de ronde. Als plots veel mensen tegelijk hun ontreddering aan zo’n diagnose verbinden, krijgen we, zoals bij fysieke aandoeningen, ware mentale epidemieën. Misschien verschilt zo’n epidemie niet zo sterk van de Hasseltse ‘massahysterie’ en wordt ze verspreid door mediati­sering, waar Falk al voor leek te vrezen.Zowel in het ene zowel als in het ­andere ­geval haalt niet een specifiek ­lichamelijk defect ons onderuit, maar wel de tijdloze moeilijkheid van wat het betekent om mens te zijn, en dat is wellicht zowel een vloek als een zegen.

In de greep van oud zeer

In de greep van oud zeer

Donderdag 28 april 2022 om 3.25 uur

Als jongen van zes kreeg Bart zijn eerste fiets en hij waagde meteen een ritje. Toen hij even later met bebloede knieën huilend naar binnen liep, lag zijn moeder in haar zoveelste roes languit in de zetel. Zoals wel vaker, bleef ze ook toen onbewogen en kil. Dertig jaren later is de jongen een ­robuuste man met een succesvol ­beroepsleven, maar met grote liefdespijn. Hij kruist het pad van verschillende vrouwen en meer dan één – meen ik te horen – zou graag met hem in zee gaan, maar hij houdt de boot af. Zijn keuze valt tenslotte op een introverte en kille collega, die hem dan eens wel, dan eens niet in haar bed toelaat. Elke nee komt als een verplettering, en is het bewijs dat hij niet aan de vroege vloek kan ontsnappen: de vrouwen die hij liefheeft, blijven soms onbewogen, ook als hij hen het meest nodig heeft.

De Amerikaanse psycholoog Edward Thorndike formuleerde een wetmatigheid die veronderstelt dat bevredigende of beloonde handelingen waarschijnlijker worden en dat onaangename of bestrafte keuzes verdwijnen. Dat lijkt een redelijke aan­name, die in het psycho­­lo­gische veld zeer populair werd. Toch is die stelling ook vreemd, omdat psychologen vaak net het tegenovergestelde meemaken in hun praktijk. Vaak maakt de mens van middelbare leeftijd met liefdes- of relatie­pijnen hetzelfde mee: de gekozen partner, hoewel op het eerste gezicht zeer verschillend van de vorige, blijkt toch ook weer afwijzend, onbereikbaar, kil, onbetrouwbaar of gewelddadig. Of de patiënt verandert van werk­omgeving en ook daar zijn collega’s of bazen steevast opnieuw hoogmoedig, autoritair of kwaadwillig. Alsof vroegere onaangename of bestrafte ervaringen veel eerder waarschijnlijker dan wel onwaarschijnlijker worden, Thorndike en zijn successen ten spijt.

Toch is dat niet zo verwonderlijk. ‘Maar dame X en dame Y, die leken het wel voor jou te hebben?’, probeer ik met Bart. ‘En je kunt niet zeggen dat het oninteressante vrouwen zonder charme zijn.’ ‘Dat is waar,’ zegt hij aarzelend, ‘maar ze kunnen me niet boeien.’ Hij legt de vinger op de wonde: alleen situaties of mensen die ons herinneren aan oud zeer, ­steken ons mentaal aan of ‘winden ons op’, ook al beseffen we dat niet bewust. Een eerder koele vrouw, die toch niet ongevoelig is voor zijn charmes, is dé perfecte match voor Bart. Als kind was zijn onmacht jegens zijn moeder traumatisch. Nu hij ­zoveel meer troeven heeft dan toen, is het alleen wachten op een gelegenheid om te tonen dat hij nu wel kan wat vroeger niet lukte: een afstandelijke vrouw tot liefde voor hem bewegen. Sterker, alleen die overwinning kan hem de mentale heling bieden voor het schokkende orakel dat hem sinds zijn kindertijd boven het hoofd hangt: dat hij vrouwen van zijn voorkeur niet tot liefde zou kunnen brengen.

Wat geldt voor Bart, geldt voor ons allen: oud zeer houdt ons in zijn greep. Om hem te parafraseren: we zijn geboeid door ons verhaal, ­gegijzeld door de trauma’s van onze geschiedenis. Thorndikes wetmatigheid houdt daar geen rekening mee. Zijn wetmatigheid ­beschrijft de redelijke mens zoals we graag zouden willen dat die is: op een mooie dag beginnen we met een schone lei en met voldoende wilskracht, herschrijven we ons verhaal. Dat soort wishful thinking houdt vast aan het ­geloof dat het verleden zich niet aan ons kan opdringen als we dat niet willen.

De actualiteit maakt pijnlijk duidelijk dat dat buiten de menselijke conditie is gerekend. In het indrukwekkende interview met Bruno Beeckman, oorlogscorrespondent in Oekraïne (DS weekblad 16 april) staat: ‘Het begin van dit conflict is belediging. De Sovjet-Unie viel uiteen, was een lijk. Wij hadden gewonnen, ­riepen we. En dan vonden we het ook nog eens ­nodig om op dat lijk te gaan dansen.’

Historische vernederingen zijn bijzonder traumatische krenkingen, en daardoor tijdbommen: doet zich een ‘goede gelegenheid’ voor om de geschiedenis te herschrijven en dus de krenking te helen, dan kan dat een nieuw conflict aansteken.

Zo’n historische lezing verhindert ook de makkelijke interpretatie van het kwade tegenover het goede. Bart is niet louter het slachtoffer van de onbarmhartige dames in zijn volwassen leven, hij herhaalt zelf keer op keer oud zeer dat onverwerkt bleef. Ook geopolitiek hebben we niet of niet voldoende werk gemaakt van het helen van ­oude krenkingen, door banden te smeden , door de waardigheid van de ­ander te blijven erkennen. Zoals Bart zijn ook wij mee ­verantwoordelijk voor wat ons overkomt.

De psychologische motieven van Poetin (en van het Westen)

De psychologische motieven van Poetin (en van het Westen)

Donderdag 17 maart 2022 om 3.25 uur

Maandag vroeg de Parijse politicoloog Jean-Vincent Holeindre op de radiozender France Culture hoe het komt dat het vooruitzicht van een oorlog in Europa lange tijd ondenkbaar was. De vraag sloeg niet op een verkeerde inschatting van de informatie van de Amerikaanse veiligheidsdiensten, die al langer voor de oorlog waarschuwden. Nee, zegt Holeindre, het gaat over een ‘filosofisch onvermogen om oorlog in Europa voor mogelijk te houden’. ‘Wishful thinking langs onze kant’, noemde de Leuvense hoogleraar Russische politiek Ria Laenen het, een wensdenken dat ook snel ‘een voorbarig optimisme’ over een mogelijke uitweg uit het conflict voedt.

Er spelen krachtige psycholo­gische motieven mee in Poetins strategie. Hij verwijst naar de ­geschiedenis van zijn land en naar de elementen van trots in het Russische verhaal als aanloop naar deze oorlog: het grote tsarenrijk, de rol van de Russen bij de overwinning op het naziregime in de Tweede ­Wereldoorlog. We luisteren met verbazing naar zijn beschuldiging van een ‘nazistische’ anti-Russische ­genocide in Oekraïne. Bij analisten in het Westen varieert Poetins diagnose van gehaaid tot krankzinnig, maar bijna altijd luidt het dat de man niet voor rede vatbaar lijkt.

Toch spelen misschien ook psychologische motieven mee in de westerse ‘naïviteit’ jegens de intenties van het Kremlin. We geloven graag en snel dat er binnenkort een kentering ten goede komt, maar hierin zijn we zelf misschien irrationeel. Heel Europa zat tenslotte midden in die geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog die Poetin ­bespeelt. Dat is ook buiten Rusland ­reden genoeg om het beeld van een derde wereldoorlog op Europese grond te weigeren. We hopen dat we met sancties, steun aan Oekraïne, en steun aan de interne Russische oppositie dat horrorscenario zullen afwimpelen.

De Russische dichteres en journaliste Maria Stepanova vertelt hoe Poetin na zijn herverkiezing in 2012 voor een enorme menigte in Moskou een toespraak hield, waarin hij de Russische dichter Michail ­Lermontov citeerde. Een van ­Lermontovs beroemdste gedichten gaat over de Napoleontische oorlogen, toen de Russen voor het eerst hun meningsverschillen opzijzetten om een vijand aan de poorten af te weren: ‘Wij zullen sterven voor Moskou, zoals onze broeders stierven.’ Toen Poetin die regel las, herinnert Stepanova zich, had hij tranen in de ogen.

Een kernoorlog kan niet gewonnen worden. Toch weegt dat zeer prozaïsche, zeer eenvoudige gegeven niet altijd op tegen menselijke onredelijkheid. We doen er goed aan te beseffen dat Poetin trots ­belangrijker kan vinden dan de ­eigen dood, of dan de dood van massa’s mensen in Europa, ook ­binnen Rusland.

Ook in het ‘beste scenario’, waarin de Navo terughoudend blijft, oogt de nabije toekomst schrikwekkend. De kans bestaat dat de beelden en getuigenissen uit Oekraïne met de dag ondraaglijker en huiveringwekkender worden, en dat de westerse niet-inmenging in de ­publieke opinie op steeds groter protest en grotere afschuw botst. Dat ‘beste scenario’ is er dus één waarin we in de kamer naast ons het gekerm van een gefolterde geliefde horen, terwijl we zelf een pistool ­tegen het hoofd hebben. Maar interveniëren zou inderdaad de deur openzetten voor een nucleair inferno, met evengoed onafwendbare ­catastrofes in de nasleep. Op een plotselinge en vreselijke manier herhaalt zich een ­patroon dat voor heel Europa in de Tweede Wereldoorlog bijzonder traumatisch was: ook toen werden onze broeders afgeslacht terwijl we er bijstonden en grotendeels niets deden.

Er is geen troost of geen verlichting voor die analyse. Maar mochten we er, bijvoorbeeld door diplomatieke onderhandelingen, toch in ­slagen die catastrofes grotendeels te voorkomen, dan is er winst. Door deze crisis ervaren we aan den lijve dat veiligheid, vrijheid en comfort bijzonder fragiel zijn, en daardoor wordt de politiek opnieuw een zaak van uitzonderlijk belang, met voorop het democratisch functioneren van het Europese collectief. Maar misschien nemen we ook de maat van een Europees onverwerkt verleden, nu we merken dat het zich ­onverwacht en in al zijn rauwheid kan herhalen.

Liefde op maat van het verschil

Liefde op maat van het verschil.

Donderdag 17 februari 2022 om 3.25 uur

‘Het eerste wat hij doet als hij van het werk thuiskomt, is mijn borsten vastnemen. Hij doet het zonder na te denken, als een vanzelfsprekende begroeting. Veel mensen begrijpen niet wat ons bindt, maar dat is het antwoord. Hij neemt mijn borsten vast, en ik kom tot rust, ik weet dat ik er mag zijn, dat het leven goed is.’

Ik had maar één gesprek met deze vrouw, halverwege de 40, bedrijfsleidster van een middelgrote onderneming en sinds een drietal jaren ­samen met veel jongere dakwerker van Oost-Europese origine. Het is haar eerste vaste verhouding en haar omgeving is argwanend. Heel anders dan zijzelf staat haar partner zonder ambitie in het leven. Maar na een aarzelend begin is de verhouding ­gegroeid en intens hecht geworden. Elke avond liggen ze lepeltje-lepeltje in bed, en hij vertelt over zijn dag, zijn ­belevingen en zijn verwachtingen.

Als ik die middag naar huis wandel, moet ik aan mijn ­ouders denken. Mijn moeder, een Vlaamse met Brugse wortels, in Machelen ­geboren uit een Vlaams-nationalistisch gezin en mijn vader, een Brusselse ket van Spaans-Algerijnse origine met anarchistische, communistische, soms zelfs anti-Vlaamse ideeën. Toch waren ze hun hele leven lang verliefd. Mijn moeder wilde dat we naar een Nederlandstalige school gingen en dat was voor mijn vader nooit een twistpunt. Een jaar voor hij stierf, zag ik ze op hun terras in de Dordogne zitten, naast elkaar, rustig. Het raam stond open en zo ving ik deze zin op: ‘Je suis heureux avec toi.’

Liefde past niet zoals deksels op potjes, zoals kleren die je als gegoten zitten. Je komt niet op een mooie dag de liefde tegen, in de vorm van een zielsverwante die het leven voor jou in petto heeft. Mensen ­haken toevallig op elkaar in – en niet zelden is de eerste ontmoeting een seksuele beroering – waarna ze vaak nogal verbaasd zijn elkaar samen te treffen. De ander is allesbehalve de ­gedroomde match, de op de eigen maat ingebeelde evenknie, maar een onthutsende vreemde, met andere waarden en verwachtingen, soms zelfs andere ijkpunten of een andere taal. Liefde op maat van het verschil, denk ik nu.

In de huidige emancipatiestrijden worden we soms zeeziek van de vermenging tussen identiteit en diversiteit. Groepen scharen zich rond identiteiten om discriminatie aan te klagen en te ijveren voor inclusiviteit in een diverse samenleving. We vormen groepjes van hetzelfde om het recht op verschil op te eisen.

Zulke ­geclaimde identiteiten vergen bovendien waterdichte afscheidingen. Een vrouw kan dan de beleving van een man niet verwoorden, een witte niet die van een zwarte, een rijke niet die van een arme, ik niet die van jou. Misschien is dat zo, wie zal het zeggen. Maar in de liefdesverhalen die ik in mijn praktijk hoor, is het ­precies de kloof die de liefde kansen geeft. Wanneer we onszelf niet herkennen in de ander, kan empathie of zelfliefde tekortschieten. De rest van de weg moeten we dan wel ‘over hebben voor elkaar’ en wellicht is pas die onbaatzuchtige liefde werkelijke liefde.

Net zoals het verschil de motor is van de liefde, is de onmogelijkheid van de verwoording de motor van het schrijven, en de onpeilbare afstand tussen menselijke ­belevingen de motor van de cultuur. Al wat ooit gecreëerd werd, put uit die pijn van de kloof en uit het verlangen om bij de ander te komen. Toch komt de koestering van het verschil pas in tweede instantie, zowel in het leven als in de geschiedenis.

In het verhaal van de mensheid was zoveel arbitrair en onberecht geweld dat we nog vele emancipatorische gevechten in het verschiet hebben, en dat we ons in die gevechten ook onder vaandels scharen die nooit helemaal de onze zijn. Wat we niet hadden voorzien en ook niet konden voorzien, is dat pas op de valavond van zo’n strijd een andere figuur kan verschijnen. Het is pas als de vlag mag opgeplooid worden dat we elkaar misschien ontmoeten, heel verbaasd elkaar daar te treffen. Want geen twee mensen zijn zo verschillend als zij die eerst dachten ‘hetzelfde’ te zijn. En als we het voor elkaar over hebben, pas dan kan ons liefdesverhaal beginnen.

Ademruimte voor de samenleving

Ademruimte voor de samenleving Donderdag 20 januari 2022 om 3.25 uur

Enkele jaren geleden ontving ik een man met wie het eerst heel moeizaam werken was. Wat in zijn verhaal ook naar boven kwam over de wreedheden die hem in zijn kindertijd waren aangedaan, hij legde het verband niet met zijn huidige ongenoegen: hoe onverbiddelijk streng hij voor zichzelf was, ­bijvoorbeeld. Op een dag verscheen hij grimmig en opgewonden in de spreekkamer: een andere man had hem ingehaald, bijna zijn ­wagen geraakt, en net voor zijn neus zijn parkeerplaats ingenomen.Hij zette zich schrap op de bank, keek me de hele tijd recht in de ogen. Toen kwam het verhaal van de wraak die hij had bedacht. Het scenario ­omvatte onder meer een kooi op een ­afgelegen plek. Ik kreeg het hele relaas chronologisch te horen, met alle ­details: waar hij de kooi zou kopen, hoe hij de man in de val zou lokken. Het was meteen duidelijk dat hij op dat ­moment niet voor rede vatbaar was. Dus gooide ik het over een andere boeg: ik wees hem op ‘de praktische bezwaren’, waarover Willem Elsschot schrijft: ‘Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad staan ­wetten in de weg en praktische ­bezwaren.’ Hoe zou de afwezigheid van het slachtoffer ongemerkt blijven? Wat zou hij daarna doen?Met zijn staalharde blik nog altijd op mij ­gericht, gaf hij alle gruwelijke, nauwelijks te aanhoren details. Eigenlijk werd ik drie kwartier lang de man in de kooi, bedacht ik. Aan het einde van de sessie was mijn lichaam week en ik dacht dat mijn stem zou trillen, maar ik hoorde mezelf vrij rustig aangeven: ­‘Laten we het hierbij houden. Kunt u ­later deze week terugkomen?’ Bij het ­afscheid kwam geen enkel geruststellend signaal dat hij het plan niet zou uitvoeren, en toen hij buiten was, stortte ik in. Ik belde ­supervisoren en collega’s om raad. Mijn grootste vrees was uiteraard dat hij het plan werkelijk zou uitvoeren. Het was een wijze beslissing om hem een dag ­later te laten terugkomen, en hij had die uitnodiging zonder verpinken aanvaard. Ik besloot de man te vertrouwen. Het eerste wat hij me zei in onze volgende sessie was: ‘Dat plan van me van de vorige keer, dat was een fantasie, dat had u toch begrepen?’Als hulpverleners worden we vaak op de proef gesteld. Wat als mensen ons iets heel zwaars, iets heel provocatiefs, iets totaal onredelijks toevertrouwen, wordt de psycholoog dan op slag een pedagoog die hen de les wil spellen? Wordt die plots de behoeder van de goede ­rede, of van de wet? Niet het redelijke ­inzicht, maar iets van een andere orde is dan aan het woord, iets wat ook niet meteen duidelijk is voor degene die komt spreken – en precies daarom komt die spreken. Ik bleek stevig ­genoeg in mijn schoenen te staan, en ik kreeg nu meer onsmakelijke details te horen over de wreedaardige vader van mijn patiënt.Spreekkamers van psychologen zijn geprivilegieerde ruimtes in de samenleving, afge­bakende oorden waar niet de wet regeert, zelfs niet de ­redelijkheid. Op die plek kunnen mensen hun fantasieën verkennen, hun angsten, hun twijfels, hun woede. Het kabinet is een veilig oord voor het politiek incorrecte, en voor schokkende gedachten. Er wordt ademruimte gegeven aan het ongenoegen en de verdeeldheid, om zo de samenleving robuust te maken tegen het alternatief van ‘buigen of barsten’. Zonder die buffers bereiken meer mensen sneller het kookpunt, en krijgen we vaker geweld in de samenleving.Ook tijdens deze pandemie vervullen klinisch psychologen die belangrijke rol. Hun werk is minder zichtbaar dan dat van de experts, want wie in de ­processie meeloopt, kan niet de klok luiden. Zo kunnen wij niet in kaart brengen hoeveel angsten, twijfels en frustraties we in die veilige omgeving horen tegen het coronabeleid en de ­vaccinatie, hoeveel groter die groep is dan de groep die zich publiek als ­vaccin-twijfelaar uit, hoeveel mensen die zich wel hebben laten vaccineren, ook twijfelen. Klinisch psychologen bieden ruimte voor kritisch ­nadenken, kunnen scepticisme aanhoren zonder te moraliseren, waardoor twijfel minder snel een aanklacht wordt.Vorige week hebben andere psychologen advies uitgebracht ten voordele van een vaccinatieverplichting (DS 12 januari). In één pennentrek werd daarbij de ademruimte voor een verdeelde bevolking toegemetseld. Hoe moeten mensen nu vrij sprekentegen een ­beroepsgroep die publiek te kennen geeft dat ze weet en oordeelt? Hoewel de experts beweren dat de vaccinatieplicht meer voor- dan ­nadelen heeft, was er al meteen één groot ­nadeel aan hun bericht: het efficiënt neutraliseren van de wezenlijke rol van de clinici bij het samenhouden van de groep. Of hoe je van expert-psycho­logen niet altijd psychologische fijn­gevoeligheid kunt verwachten.

Met stigmatiseren komen we niet uit deze pandemie

Met stigmatiseren komen we niet uit deze pandemie Donderdag 2 december 2021 om 3.25 uur


Het is te makkelijk om mensen die het vaccin weigeren af te schilderen als zelfzuchtige mensen die een onredelijke vorm van vrijheid opeisen, ‘de vrijheid om zichzelf niet te laten vaccineren’. Hun ideologische typering ligt klaar: deze neoliberale samenleving werkt egocentrisme zo in de hand dat de eis om vrijheid helemaal is door­geslagen. ‘We hebben de vrijheid te zijn wie we willen zijn en dus ook de vrijheid om ons niet te laten vaccineren’, wordt door een aantal weigeraars aangedragen. Dat zet meteen kwaad bloed en maakt het moeilijk om hun keuze verder te ondervragen. Toch is de werkelijkheid complexer, en een snelle veroordeling kan de ­bestrijding van deze epidemie meer kwaad doen dan goed.Om te beginnen is de groep die huiverachtig staat jegens het vaccin heel heterogeen. Uiteraard zijn er mensen bij met obscure betogen of verbijsterende overtuigingen, en sommigen zijn heel aanwezig op sociale en ­andere media. Maar veel mensen zijn weigerachtig omdat ze een deel van de informatie missen. Daar waar het initiatief is genomen om met hen individueel in gesprek te gaan, lijkt het vrij makkelijk om een behoorlijk aantal alsnog tot vaccinatie te overtuigen. Die mensen wil je toch niet de boom injagen door een publieke veroordeling?Zelfs de groep mensen die veel radicaler vaccinatie weigeren, is zeer heterogeen. Dat blijkt ook uit de reportages bij bijvoorbeeld protestbewegingen, met extreemlinkse en extreemrechtse vlaggen in dezelfde optocht. Wie die mensen een voor een zijn, is onmogelijk te zeggen, maar onderzoek toont dat het sociaal-economische ­niveau significant lager zou zijn bij mensen die sceptisch staan tegenover vaccinatie. Ook mensen die zich om diverse redenen meer op zichzelf of op de eigen groep hebben teruggeplooid en mensen die op de zogenaamde zelfkant van de samenleving staan, mengen zich in het protest. Maar als ik het een beetje scherp mag stellen: dat ‘zootje ongeregeld’ is toch nooit echt onze zorg geweest, de zorg van de middenklasse die nu de kant van de redelijkheid claimt?Over één domein van het samenleven kan ik in het bijzonder getuigen, dat van de geestelijke gezondheidszorg. Wat we de jongste tien jaar zien is een verschuiving van de aandacht en de middelen voor de zwaar lijdende mensen – psychotici, traumapatiënten, verslaafden – naar de mild ontstemde mensen – mensen met depressies en angstproblemen. De psychiatrie wordt een ‘resort voor mild depressieve mensen’, zei collega Stef Joos enkele jaren geleden treffend op Sociaal.Net. Het zwaartepunt verschuift naar algemene gezondheidszorg, het mentaal begeleiden van mensen die lichamelijke ­behandelingen moeten ondergaan. Die evolutie wordt breed gedragen door de middenklasse. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het succes van Kom op tegen Kanker, waarbij ook grote sommen naar de psycho-oncologie gaan.Waarom mogen we ons niet in de eerste plaats bezighouden met wat ons direct raakt, is de vraag. Abstracte ­beschavingswaarden, zoals de zorg voor de zwakkeren door de sterksten, snijden veelal geen hout. Een prozaïscher antwoord komt uit deze coronacrisis: we maken pas kans om bij wereldcrisissen, zoals ook de klimaatcrisis, de schade te beperken als we met zijn allen ­samen, en dus ook met die mensen die waarden en problemen hebben die we niet begrijpen, zo veel mogelijk aan hetzelfde zeel trekken – of elkaar zo min mogelijk tegenwerken.Verplichte vaccinatie is hier een goed voorbeeld van. Op papier is dit de ­oplossing voor de overlast bij de hulpdiensten. Toch vereist die oplossing menselijk gedrag, en dan bots je op psychologie. Het was viroloog Steven Van Gucht (Sciensano) die onlangs in De ­Afspraak de logische vraag stelde: hoe ga je mensen verplichten? Stel nog dat je tegen wil en dank zou vaccineren of zware sancties zou opleggen, dan maak je vastberaden vaccinweigeraars uiteraard bijzonder boos. Wie boos is, zal zich minder geroepen voelen om de masker- en afstandplicht te volgen, of zal makkelijker deze regels boycotten – en dat willen we niet. Stigmatiseren en verplichten zijn dus gewoon al om pragmatische redenen geen goed idee om deze crisis te bevechten.Er zit niet anders op dan ons echt in te laten met deze mensen in wie we ons niet herkennen en die we liefst zo snel mogelijk tot de orde willen roepen. Op welke manier, is onduidelijk, wellicht met een waaier aan luister- en dialoogvormen en in het bijzonder met individuele gesprekken waar mogelijk. Het goede nieuws is dat dit zeer weinig met een opgelegd neoliberaal kapitalistisch model te maken heeft, maar wel met een vorm van ethische discipline die in het bereik ligt van elk van ons.

Beperkingen zijn buitenkansen

Beperkingen zijn buitenkansen. Donderdag 28 oktober 2021 om 3.25 uur


Van hoogbegaafdheid over aspies naar Flinta*, we hebben te maken met een wildgroei van identitaire etiketten. Ver voorbij het medische veroveren ze de hele sociale sfeer.
De analyse van Paul Verhaeghe dat wie in onze meritocratische ­samenleving niet kan volgen, zich vaker een psychodiagnostisch label laat opspelden, gaat niet langer op. De identitaire verzuchting is integendeel een wakkere stellingname om de traditionele gender-, etnische of klassescheidslijnen uit te wissen.
Zo wil de woke zangeres Christine and the Queens niet langer als Christine aangesproken worden, maar eerst als Rahim en ten slotte als ‘.’ (punt). Ook is het makkelijk om de nieuwe identiteiten aan groepsdenken en groepsdwang toe te schrijven, zoals Yves Petry deed in zijn opiniestuk ‘Labelen en laten ­labelen’ (DS 20 oktober).
Maar ook bijvoorbeeld bij een actie als Kom Op Tegen Kanker kan het groepsdenken krachtig zijn. Als we ons samen flink inzetten tegen kanker, dan weten we gewoon dat we goed bezig zijn’. Maar we zijn dan evengoed onevenredig veel middelen aan het verzamelen voor een beschavingsziekte van de middenklasse, en dus voor de eigen groep. Kom Op ­Tegen Kanker is een uitstekende vorm van ‘ons zorgt voor ons’.
Dat de investeringen, in het bijzonder voor het luik psycho-oncologie, ten koste gaan van andere psychische problemen zoals psychose, verslaving, zwaar trauma … is geen welkome commentaar. Een groepsdynamiek put uit de wederzijdse spiegeling de zekerheid van het grote gelijk en dat geldt zowel voor de nieuwe woke-identiteiten als voor de ouwe getrouwe middenklasse-identiteiten.
Wat we nu meemaken, is specifieker. Velen denken: ‘Ik heb het recht om mijn identiteit volledig te creëren en die vervolgens te claimen. Ik kan zijn wie ik wil.’ Het succes van zulke totale sociale creaties zou het gevolg zijn van een sociaal ‘wakker worden’. Maar is dat wel zo? Komaf willen maken met elke vorm van ­sociale determinering is geen nieuw idee. De Verenigde Staten zijn bijvoorbeeld al veel langer het beloofde land voor de selfmade man (al hinkt de realiteit ver achter op de belofte).
Een ander, parallel fenomeen speelt ook mee. Het tegenovergestelde idee dat de mens biologisch ­gedetermineerd zou zijn, verliest aan kracht. Dat paradigma beloofde in de jaren 80 te voorspellen wie we zouden worden op basis van een biologisch paspoort. Gewijzigde ­genen of gewijzigde hersenbanen zouden dan leiden tot deficits of onmogelijkheden.
Ondertussen hebben wetenschappers het menselijke genoom ontcijferd en met verbluffende resolutie gekeken naar functionerende hersenen. Echt overtuigende revelaties kwamen er niet. Bepaalde genetische mutaties kunnen wel met psychische ziektes verbonden worden, maar diezelfde mutatie zien we evengoed bij bipolariteit, bij schizofrenie, bij depressie of … bij helemaal niets. Er kwamen geen mooie causale ­ketens die een hersenprobleem met een bepaalde psychische ziekte in verband brachten.
Zonder dat dit voorpaginanieuws werd, is het idee doorgesijpeld dat we psychisch misschien niet zo ­gedetermineerd zijn door onze biologische apparatuur als eerst ­gedacht. En in de mate dat deze ­determineringsgedachte achteruitgaat, komt de tegenpoolgedachte aangerukt: ‘Ik kan zijn wie ik wil.’
Je kunt de menselijke identiteit ook anders benaderen dan in de ­tegenstelling tussen biologie en ­sociologie, tussen het wel of niet ­gedetermineerd zijn. Psychologie is tussen deze polen de redelijke ­wetenschap die aantoont dat wat ­beperkend is niet per se determinerend hoeft te zijn. Sterker nog, psychisch gezien zijn onze beperkingen onze buitenkansen. Precies daarom spreken we over ‘de menselijke ­conditie’.
Zoals ieder van ons, kreeg ik met het leven een lichaam, ouders, een plek en een tijdgeest mee, die ik niet kon kiezen. Die waren letterlijk mijn bestaansvoorwaarden, en precies die zijn nu mijn springplanken. De lichte duif van Kant, die foetert ­tegen de wind omdat die het vliegen zo zwaar maakt, kan alleen dankzij die wind naar de top stijgen. Het psychische protest is niet steeds zo groot als dat van een Napoleon die via zijn leven van zichzelf alsnog ‘een groot man’ wilde maken, maar we vertrekken wel allemaal noodgedwongen bij wat ons eerst is toegevallen.
Het zijn die beperkingen of moeilijkheden die ons kwaad maken, die ons het vuur en de baldadigheid ­geven om onszelf te overstijgen. Zo kan een psychologische stem misschien het steriele publieke debat tussen biologisch determinisme en sociologisch totalitarisme beslechten. Want nee, niet alles is mogelijk en gelukkig maar, want daardoor opent zich een onvermoede horizon.

Je psycholoog is niet als je tandarts

Je psycholoog is niet als je tandarts. Donderdag 30 september 2021 om 3.25 uur

Als jonge psychologe mocht ik in 2002 aan de slag met mensen met het moeilijke profiel verslaving-psychose. Een van hen, Peter, was introverter dan de anderen. Ik merkte zijn naar binnen gekeerde blik. Af en toe lispelde hij, het enige zichtbare teken van een innerlijk gesprek. Ik vroeg me af hoe ik met hem in contact kon komen. Toen het team­gesprek kwam, hoorde ik het wijze besluit­ van mijn collega’s: Peter had al moeizaam een vertrouwensband op­gebouwd met een collega-psycholoog op een vorige afdeling. Tegen het beleid van de instelling in, werd besloten dat niet ik, maar mijn collega Peter hem zou blijven volgen op zijn nieuwe afdeling. De man was opgelucht en behield zijn vertrouwen in de instelling.
Wanneer ik met vakantie ga, geef ik aan sommige patiënten het adres van een collega, die hen kan opvangen in die periode. Maar weinigen kloppen elders aan. De reactie is steevast dezelfde: we willen met jou verder. Een vertrouwensband met een patiënt is heel bijzonder. Het voorstel om op een bepaald ogenblik in het zorgtraject met iemand anders te gaan spreken, kan schokkend zijn – een beetje alsof je partner je voorstelt­ even met iemand anders op te trekken tijdens zijn of haar afwezigheid.
De mens die spreekt, heeft een geschiedenis met de mens die luistert. En zoals de kleine prins van Saint-Exupéry heeft de psycholoog een verantwoordelijkheid jegens de mens die hij of zij (eindelijk) tot spreken heeft verleid. Dat blijkt ook uit wetenschappelijk onderzoek: een van de terugkomende bevindingen van het ‘effectiviteitsonderzoek’ – het onderzoek dat nagaat wat er bij een psychologische behandeling werkt – is dat de band met de psycholoog belangrijker is dan de methode die hij of zij hanteert. De specifieke band is, zeg maar, dé werkzame molecule van de psychologische behandeling. Het zou gek zijn om die stiefmoederlijk te behan­delen, en toch gebeurt net dat in ons model voor mentale zorg.
Dat model is op de leest van de medische principes geschoeid, en een van die heilige regels is ‘zorg op maat’: de juiste specialist voor de juiste aandoening. Je laat je tand niet trekken door een nierspecialist. Intuïtief voelt dat juist aan, waardoor het weinig kritisch denken ontlokt. Maar geestelijke gezondheidszorg is géén geneeskunde en voor psychische zorg kan dat principe verwoestend zijn. Je haalt niet zomaar iemand weg van een eerstelijnspsycholoog, met wie een moeizame vertrouwensband werd opgebouwd, omdat het tijd is voor gespecialiseerde zorg. Niet de gespecialiseerde methode garandeert het succes, en al zeker niet wanneer­ we in de weg daarnaartoe de werkzame molecule ‘vertrouwen’ geschaad­ hebben. In het kabinet van de psycholoog wordt geen tand getrokken, maar een brug van mens tot mens gesmeed­, waarlangs vertrouwen in zichzelf­ en passie voor het leven wordt door­gegeven.
Psychologen voelen ook zelf dat ze, zoals de kleine prins, niet zomaar de vos mogen laten vallen, zeker wanneer die eerst schuchter was, en moeilijk te verleiden. Een kinderpsychologe ver­telde me een klein drama: ze had moeizaam een vertrouwensband met een meisje gesmeed, dat uiteindelijk aan haar gehecht raakte. Maar dat meisje zou voor gespecialiseerde hulp naar een collega doorgestuurd worden. De psycho­loge was verscheurd tussen haar trouw aan het behandelprincipe en haar ethische gevoel van verplichting jegens­ dat meisje. Om voorbij die patstelling te raken, was ze snel een bijscholing aan het volgen, in de hoop de fatale datum voor te zijn en zelf de gespecialiseerde hulp te kunnen bieden. Dat lukte niet. Voor het eerst was de psychologe uit haar lood geslagen.
Door het leven gehavende mensen geloven vaak zelf niet sterk in zichzelf, noch in het leven. Wanneer we met zulke mensen werken, voelen we dat er iets scheelt met het principe van het scharnier tussen eerstelijnszorg en gespecialiseerde zorg. Het nieuwe terugbetalingsmodel voor de geestelijke gezondheid schrijft nu voor dat de patiënt bij die overgang van psycholoog moet veranderen (DS 24 september). Toen minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke (Vooruit) die hervorming vorige week in De zevende dag verdedigde als een hervorming die er in de eerste plaats was voor hen ‘die de behandeling het meest nodig hebben’, voelde ik een pijnscheut door mijn lichaam trekken. Over die hervorming valt veel te zeggen, maar níét dat ze gericht is op hen die psychische hulp het meest nodig hebben. Het is een model op maat gemaakt voor milde mentale problemen, maar met potentieel schadelijke effecten bij zware problemen.

Fake News et Eugénie Grandet

La société Parisienne vers 1820 (de Balzac, Eugénie Grandet, p. 92): “…dans une soirée il se commet en pensées, en paroles, plus de crimes que la Justice n’en punit aux Cours d’assises, où les bons mots assassinent les grandes idées, où l’on ne passe pour fort qu’autant que l’on voit juste; et là, voir juste, c’est ne croire en rien, ni aux sentiments, ni aux hommes, ni même aux évènements: on y fait de faux événements.” … fake news, une tare de notre temps, la conséquence d’internet, vraiment?

Wanneer ideeën en wapens niet overtuigen

Donderdag 2 september 2021 om 3.25 uur
Wie dacht dat van redelijkheid en verlichting een intrinsiek gezag uitgaat, is eraan voor de moeite. Dat leert Afghanistan. De ideologie van het Westen – in het bijzonder van de VS, die beloofd hadden de ‘as van het kwaad’ en de ‘schurkenstaten’ te bevechten en om te ruilen voor een westers democratisch model – wordt tot op het bot uitgekleed. Het slechte nieuws is dus dat redelijkheid niet altijd overtuigt.
Hetzelfde geldt voor de koloniale erfe­nis. We kunnen niet eeuwenlang bevol­kingsgroepen uitbuiten en landen leegplunderen, inzien­ hoe fout dat was, daarmee stoppen, redelijk worden, en er dan van uitgaan dat de benadeelde groepen op dat moment evenzeer tot redelijkheid bereid zijn. Dat is een wraakroepende verwachting. Wie alleen redelijkheid in huis heeft, staat op een strijdtoneel met lege handen.
Wat Afghanistan bovendien cynisch aantoont, en met verve, is dat gewapend machtsvertoon ook al niet overtuigt. Niet dat we dat niet wisten: ook de Europese kruistochten zijn op niets uitgedraaid.
Wat doe je dan, als blijkt dat ‘onze beste ideeën’ noch ‘onze beste wapens’ enig effect hebben op brandhaarden in de wereld? Het geopolitieke toneel is bezaaid met historische open wonden, Israël-Palestina en het Midden-Oosten, Afghanistan, Irak en Iran, Libië … Het brandt rondom ons, maar ook te midden van ons, met de erfenis van onder meer de slavernij en het kolonialisme. Wie een stem wil hebben in een debat, kan alleen een beroep doen op zijn verleden.
Er is een belangrijk onderscheid. Een authentiek verhaal van ondergane pijn of onrecht dwingt ontzag af, spreekt vanuit een eigen autoriteit. Maar dat is niet het effectiefst in een geopolitiek debat: wie zo spreekt, is – terecht – vooral bezig het eigen mentale vel te redden, niet de wereld. Het lijden draagt hier goed zijn naam: het is nog geen ver-leden, en dat kan een toekomstvisie vertroebelen. Toch kan het ook een springplank zijn om, voorbij het eigen verhaal, een visionaire houding te ontwikkelen, zoals we zien bij iemand als mensenrechtenactiviste Malala Yousafzai.
Wat het meeste slagkracht heeft op het internationale toneel, is het verleden als het afgelegde traject. Alleen­ wie steeds recht liep, of realistischer, alleen wie op elk ogenblik kritisch was over zijn beweegredenen en zich bereid heeft getoond­ zijn pad telkens opnieuw te hertekenen, alleen wie onvermoeibaar de mentale discipline heeft om voorbij de directe behoeften van de eigen groep, ook steeds het algemene belang en de precaire geopolitieke evenwichten voor ogen te houden, krijgt een stem in het debat. Alleen morele autoriteit is autoriteit. Denk aan mensen zoals Martin Luther King of generaal Ahmad­ Massoud in Afghanistan. Dat zij wel vaker een fataal­ doelwit worden, bevestigt net hun over­tuigingskracht.
Soms kunnen ook hele groepen zich door moral high ground onderscheiden. Duitsland heeft na de Tweede Wereldoorlog noodgedwongen een grotere gewetensoefening gedaan dan andere Europese landen, die al te graag het soms bescheiden verzet­ naar voren schoven om zichzelf schoon te wassen en aan die oefening te ontsnappen. Die geschie­denis ondergraaft zo de stem van Europa in de Palestijnse brandhaard.
Recht lopen, of steeds opnieuw zelfkritisch je pad hertekenen, in functie van het algemeen belang, is een teken van beschaving, een ethisch uitgangspunt. Wie denkt dat deze principiële houding, met veel directe kosten en zonder duidelijke winst voor het eigen belang, overboord mag, komt bedrogen uit. In barre tijden, waarin de rede bijzonder onmachtig is door veralgemeende angst, is het de enige stem die nog gehoord wordt, en die een verschil kan maken. Zonder dat ethische uitgangspunt breken vaak chaos­ en geweld uit. Dat zien we in Afghanistan, waar alle partijen, ook het Westen, bloed aan de handen hebben.
Als Afghanistan ons iets kan leren­, is het misschien dit: wie een stem wil hebben, moet niet alleen vooruitstrevende ideeën hebben, maar moet ook bewezen hebben het algemeen belang te dienen. Redelijkheid en verlichtingswaarden ontslaan ons niet van de verplichting recht te lopen – dat is dan weer goed nieuws.