Een goed gesprek met psychologen

https://www.standaard.be/cnt/dmf20210526_97645875

Naar aanleiding van de zaak-Conings vroeg ik me af hoe een gesprek zou verlopen tussen de ministerraad en een delegatie van psychologen die zich verdiept hebben in de ‘wetenschap van de onredelijkheid’. Misschien zou het zoiets kunnen zijn.

‘Uiteraard, meneer de eerste minister, kunnen we de menselijke geest niet met een virus vergelijken’, begint de voorzitster. ‘Maar de menselijke geest werkt soms wel op dezelfde manier­, associatief en epidemisch: bij geesten die dicht bij elkaar­ staan, kan een idee overspringen, ook schade­lijke ideeën die tot geweld kunnen leiden­.’

Een collega pikt in: ‘In “normale tijden”, wanneer die ideeën niet heel sterk leven in de bevolking, is dat niet zo’n probleem. We weten dat er altijd extreme gedachten zijn, en eigenlijk horen die erbij. Wanneer we rechtvaardig samenleven, zijn die ideeën ongevaarlijk. Maar in een samen­leving die anderen heeft gediscrimineerd of uit­gebuit, kunnen die ideeën tot reacties van geweld leiden. Ook de geschiedenis speelt een rol. Geen enkel land kan zonder meer fier zijn op zijn geschiedenis. Dat we het in West-Europa zo goed hebben, komt ook omdat er veel rijkdom kwam uit de kolonies, om maar iets te zeggen.’

‘Laten we bij de zaak blijven’, onder­breekt de premier.

‘Ik denk dat ik het begrijp,’ zegt de minister van Leefmilieu opgetogen, ‘ook voor de natuur geldt hetzelfde: wanneer we ons houden aan een vorm van harmonie jegens onze biotoop, dan riskeren we geen epidemieën – wanneer we daarentegen de natuur steeds verder uitbuiten, dan stellen we ons bloot aan “reacties”, aan virussen­ bijvoorbeeld.’

‘Precies,’ gaat de eerste psychologe verder, ‘een beperkte reactie vinden we ook redelijk: wie wind zaait, zal storm oogsten. Maar soms kan de menselijke dynamiek op die van een virus lijken.’

‘Maar de mens is geen virus!’, protesteert de minister van Volks­gezondheid.

‘Nee, de mens is geen virus. De mens is een denkend wezen, maar het nadenken is er in de evolutie bijgekomen en heeft de onredelijkheid niet vervangen. We zijn tegelijk redelijk en onredelijk, en de mechanismen van het onredelijke lijken verduiveld sterk op die van het virus­. Als er een voedingsbodem voor is, kan één iemand, of een kleine groep mensen, snel heel kwaad worden, en plots veel mensen aansteken. Dan heb je een lokale haard, die, voor je het weet, nationaal of zelfs internationaal uitbreidt. Dat is “een exponentiële dynamiek”, een beetje zoals een ontploffing. Of die ontploffing er komt en waar, is toe­vallig. Soms denk je: hier gaat iets ontploffen, en dan gebeurt dat niet, soms denk je: hier is alles veilig, en dan ontploft­ het toch. Dat onvoorspelbare verloop noemen we “contingent”. Het liefst willen we geen rekening houden met zo’n grillige gang van zaken: “We mogen ons normale leven niet laten verpesten door een paar enkelingen!”, zeggen we dan, en we willen het liefst denken dat het maar om een een­malig incident ging.’

De tweede vrouw van de delegatie raapt haar moed bijeen, en met een trillende stem zegt ze: ‘Maar zo’n inci­dent kan opnieuw gebeuren en grote gevolgen hebben. We raden aan dat in zo’n periode van verhoogde gevoeligheid publieke stemmen tijdelijk een vorm van terughoudendheid aan de dag leggen, een vorm van afstand, of soms zelfs een blad voor de mond nemen­.’

‘… een masker, en nu nog een blad voor de mond ook, is dat niet wat veel?’, schertst een minister van de Vlaamse regering.

‘We bedoelen een soberheid in het spreken, waarbij we tijdelijk heel strikt bij de zaak blijven, en niet op de man spelen.’

Een golf van gemor gaat door het gezelschap. ‘Uiteraard is dat vrijheidsberovend, en dus moeten we zo vlug mogelijk terug naar “normaal”’, zegt haar collega snel, ‘maar zolang dat niet het geval is, moeten we misschien rekening houden met mogelijk explosieve situaties.’

‘Ho, ho,’ zeggen de politici in koor, ‘dat kan niet, dat is inboeten op een fundamentele vrijheid, de vrijheid van meningsuiting.’ De eerste psychologe schuifelt ongemakkelijk: ‘Dat begrijpen we … en uiteindelijk voeren jullie beleid, niet wij. Wij zijn er om inzichten te geven. Misschien is het toch belang­rijk om niet blind te varen.’

‘Ja, dat is waar’, besluit de eerste minister verrassend.

De minister van Volksgezondheid mijmert: ‘We hebben het exponen­tiële en contingente van de mense­lijke geest misschien toch onderschat. Toen sommigen dachten dat het “virus­probleem” ook zonder bijko­mende maatregelen zou goedkomen, moesten we steeds wijzen op dat grillige, exponentiële virus­gedrag … maar al die tijd hebben we zelf de grillige, potentieel explosieve logica van het menselijke denken ontkend. Hoe onre­delijk was dat?’

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *