Nederlands

Boekbespreking

Lacaniaanse neuropsychoanalyse

V.S. Ramachandran wijst er in zijn ‘Reith Lectures‘ (2003) op dat het brein uit 100 miljard neuronen bestaat met elk tot 10 duizend synapsen. Zodoende zijn er volgens hem meer mogelijke hersentoestanden dan er elementaire deeltjes bestaan in het universum. Anderzijds zegt Harry Mülisch in een interview: ‘Als ik met mijn hond wandel onder de sterrenhemel ben ik onder de indruk en hij niet. Het menselijk hoofd is dan ook groter dan het heelal‘ (2007 p 255).

Freud heeft steeds gehoopt dat zijn theorieën ooit zouden gestaafd worden door latere natuurwetenschappelijke ontwikkelingen. Met name de neuropsychoanalyse meet zich tegenwoordig aan een overkoepelende theorie te kunnen leveren, waarin inzichten uit de neurowetenschappen worden geïntegreerd met een psychoanalytische aandacht voor de subjectieve ervaring. Ze zou de simplistische reducties van de eerste en de speculatieve metapsychologische euvels van de tweede kunnen remediëren. Solms, Panksepp, Widlöcher, Snodgrass en Shevrin zijn enkele neuropsychoanalytische tenoren. Ariane Bazan heeft jaren in de universiteit Ann Arbor van Michigan gewerkt met de laatste. Ze is psychologe, psychoanalytica, doctor in de biologie en hoogleraar aan de VU Brussel. Zij deelt hun aller (incl. Freuds) hypothese van een psyche die door emergentie uit het biologisch substraat ontstaat en hiertoe niet (meer) te reduceren valt.

In haar voorwoord promoveert ze de talige structuur van het onbewuste zoals die door de neurowetenschap wordt bevestigd tot hèt onderwerp van haar boek. Ze hanteert er ook de intrigerende stelling dat psychopathologie kan gezien worden als de pathologie van het (vocaal) fantoom dat als fonologisch fragment ons verhaal doorspookt. Dit fantoom is voor haar de onuitsprekelijke betekenaar die niettemin onbewust (èn transgenerationeel) wordt doorgegeven. Zoals het fantoomlidmaat wordt deze betekenaar (ondanks zijn ontbreken) geïnvesteerd (p 10) en doemt hij bij herhaling in onze uitingen op.

Volgt een zeer compact en rijkelijk gestoffeerd boek waarin ze haar linguïstisch getinte metapsychologie zowel baseert op de intieme kliniek van de subjectiviteit als op diverse neurowetenschappelijke bevindingen en experimenten. Binnen het bestek van deze recensie is het onmogelijk de weelde aan onderzoeksgegevens en de minutieuze opbouw van haar uiteenzetting recht te doen dus ik beperk mij noodgedwongen tot enkele accenten.

In het eerste hoofdstuk onderzoekt ze de samenhang tussen affect en betekenaar. Aan de hand van Freuds vroege geschriften stelt ze vast dat het woord (bijv. ‘rat’ bij de rattenman) los van zijn betekenis drager kan zijn van een bepaald affect. De freudiaanse logica van het onbewuste situeert zich inderdaad precies in de spanningsverhouding tussen het semantische en het affectieve register, waarbij het laatste eerder door de fonologie wordt gedragen. 

In het tweede hoofdstuk gaat Bazan in op de materie van het psychisch apparaat. Van welk materiaal zijn volgens Freud taal/woordvoorstellingen gemaakt? De lacaniaanse betekenaar als drager van het foneem en de cognitieve en linguïstische (neuro)wetenschap die dit laatste niet als een akoestische maar als een motorische (dwz gearticuleerde)  gebeurtenis erkent passeren de revue.  Dan neemt ze de perceptie onder de loep. Reeds volgens Freud moet informatie vertaald worden in beweging om perceptie te worden. In navolging van Damasio wordt deze sequens ook teruggevonden in e-motie en gevoel. Emotie is het terrein van klieren en van gladde en gestreepte spieren. Slechts de lectuur hiervan kan in deze terminologie een gevoel genoemd worden. Het dynamisch verleden dat ons hier en nu kleurt is vanuit (neuro)linguïstisch oogpunt gevolg van een (vroeg)kinderlijke affectieve conditionering van de fonologische fragmenten zonder verband met de semantiek. Pas later (na voldoende neocorticale rijping) zal dit laatste register zich hierop superponeren.

In een derde hoofdstuk behandelt Bazan de symbolische structuur van de menselijke taal. Ze onderscheidt met Deacon icoon, index en symbool. Van Lacan kennen we natuurlijk het primaat van de betekenaar waarbij er een louter contextueel bepaalde relatie bestaat tussen betekenaar en betekende. Bazan introduceert hierbovenop het lexicaal niveau van betekenisverlening dat zich op de interface tussen fonologie en semantiek situeert. Het is dit lexicale register dat metaforisatie mogelijk maakt. We denken aan wat Stefan Hertmans in zijn roman ‘Naar Merelbeke’(1994 p 89) opmerkt over de teloorgang van de dinosauriërs: ‘Er is een metafoor (i.p.v. een meteoriet)  op de wereld gevallen’. Want omgekeerd is het volgens Lacan geheel onmogelijk dat een dier een metafoor zou produceren (p 62).

In haar vierde (interessantste?) hoofdstuk brengt Bazan de (neuro)dynamiek van de ontmeerduidiging (‘désambïguïsation’). Er blijken 100 milliseconden van vlottende meerduidigheid te verstrijken tussen het moment dat de betekenaarsketting het trommelvlies raakt en wanneer het foneem een lexicale entiteit wordt. In deze tijdsspanne is er een activatie van alle betekenissen zelfs als contextueel duidelijk is welke betekenis geldt (p 64). De inhibitie van deze niet-contextuele voorstellingen wordt experimenteel aangetoond en is noodzakelijk om taal te begrijpen. Een en ander staaft de lacaniaanse intuïtie dat verdringing niet louter een psychopathologische factor is maar organiserend principe is van (elke) menselijke taal (p 69). Verdringing (als structureel linguïstisch mechanisme dat een normaal functioneren toelaat) is ook het resultaat van een evenwicht tussen de (inhiberende/ontmeerduidigende) linker hemisfeer en behoud van (een achtergrond van) meerduidigheid door de rechter hemisfeer (lateralisatie). Anderzijds is de affectieve connotatie van woorden niet onderhevig aan inhibitie i.t.t. de selectie die wordt uitgevoerd op semantisch niveau. Betekenis wordt geselecteerd op een achtergrond van meerduidigheid. Tegelijk zal de affectieve connotatie die aan de fonologie is gekoppeld werken op het lichaam. Het bewustzijn ziet zich genoodzaakt deze gewaarwordingen (weg) te rationaliseren maar desalniettemin blijven valse verknopingen voortbestaan (p 79-80).

In hoofdstuk 5 presenteert Bazan een sensorimotorisch model voor primaire en secundaire processen. Het actueel (neuro)model van de efferente kopij stemt in hoge mate overeen met de freudiaanse ‘Abführnachrichten’ waarbij er bij motorische orders geanticipeerd wordt op de sensoriële respons die mede daardoor wordt gemilderd. Deze efferente kopij is er bijv voor verantwoordelijk dat we onszelf moeilijk kunnen kietelen (p 93). Primaire en secundaire processen worden verder verbonden aan de ventrale en de dorsale banen. De eerste worden continu bedekt/bewerkt/geïnhibeerd door de laatste. Ook wordt de remmende/regulerende rol van het Ik in verband gebracht met die van de prefrontale cortex.  Een en ander is compatibel met Freuds model van het primair proces als drager van inhoud en het secundair proces als toelatingsvoorwaarde voor het bewust zijn.

Na een zesde hoofdstuk waarin Bazan in een meer lacaniaanse/speculatieve vlucht stil staat bij de talige activiteit, eindigt ze in het zevende hoofdstuk met een aantal beschouwingen over fantomen in de stem. Fonologische fantomen zijn substituutformaties waarin het verdrongene en de terugkeer van dit verdrongene samenkomen. Aan de hand van een psychotische casus demonstreert Bazan een fonologisch fantoom (‘Ef’) dat in de betekenaarsketting van deze patiënt insisteert. Deze fonologische fantomen zijn in Bazan’s optiek organiserende structuren van het onbewuste. In elke subjectieve  geschiedenis zijn er fonologische sequenties of woordfragmenten die erg affectief bezet zijn en die bij machte zijn het innerlijk lichaam tot e-motie te brengen. Het zijn de lacaniaanse ‘meesterbetekenaars’ die zich in het verhaal herhalen, o.i. enigszins vergelijkbaar met het specifieke ‘ideolect’ dat elke dichter kenmerkt. Ze zijn afkomstig van het weefsel van fonologische fantomen waaruit het (lacaniaans begrepen) onbewuste zou bestaan.

In onze huidige cultuur van anti-intellectueel amateurisme en zijn imperatieve eis tot instant begrip is dit boek een weerbarstige uitzondering. Zeker weet Ariane Bazan de neurowetenschappelijke c.q. linguïstische grond van het onbewuste overtuigend bloot te leggen. Terwijl Mark Solms zich grotendeels tot Freud beperkt integreert zij bovendien ook het lacaniaanse gedachtegoed. Wel mis ik persoonlijk een aantal andere oriëntaties, waaronder de ontwikkelingspsychologische of de objectrelationele school (te beginnen met Kernberg’s ‘self-other-affect triads’) die stelt dat basale overdrachten als een sjabloon onze manier van in de wereld staan bepalen alsmede heel het gedachtegoed rond affectief vs cognitief begrepen mentalisatie (Bion, Fonagy). Marx’ motto (‘Niet is zo praktisch als een goede theorie’) geldt ook niet altijd omgekeerd.. Nochtans probeert Bazan zeer zorgvuldig en vanuit linguïstisch perspectief de psychoanalytische metapsychologie c.q. neuropsychoanalyse bij te tekenen en te –kleuren. Dit mag een lezenswaardige krachttoer heten en Lacan in zijn ‘graphes’ wie weet wat woelige nachten bezorgen

Hertmans, S. (1994) Naar Merelbeke. Amsterdam: Bezige Bij; Mülisch, H. (2007) Onsterfelijk leven. Amsterdam: Bezige Bij: Ramachandran, V.S. (2003) The emerging mind. BBC Reith Lectures 2003. London: Profile Books.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *