Bilzen is een buitenkans

https://www.standaard.be/cnt/dmf20191127_04740910

Wat de mensen die in mijn praktijk komen spreken het meeste terreur inboezemt, is niet het klimaat of de vluchtelingencrisis. Wel de vraag: ‘Ben ik iemand om van te houden?’ Die vraag komt soms onmiddellijk, maar meestal pas na vele sessies. Vaak vinden we dat we niet interessant of mooi genoeg zijn, dat we niet goed genoeg in bed zijn, en zelfs dat we ‘misbaksels’ zijn, dat we zelf, of het leven dat we lijden, deels mislukt zijn. We voelen, op een sombere en onduidelijke wijze, neigingen die we monsterlijk vinden, zoals een drang naar almacht en volledige controle, naar geweld en wraak. Of we wensen, vaak tegelijk, volledige afhankelijkheid en kinderlijke regressie. We zijn er zeker van dat we onderdoen voor anderen en dat we ons tot nog toe alleen konden handhaven door extra goed ons best te doen, en zo ons bestaansrecht te verdienen.

We zijn veelal zo zeker van ons eigen harde oordeel dat we de ander niet in verlegenheid willen brengen. Ook de psycholoog besparen we het ongemak: ‘We zijn het eens dat ik nooit tot iets kom’, haspelen we in één adem tussen twee andere zinnen door, en bij die ‘vanzelfsprekendheid’ hoeft niemand stil te staan. We dringen de woorden ervan terug om er niet aan te denken, terwijl de zwaarte wel blijft doorwegen. Zo’n pijnlijk zelfbeeld kan bijna nooit expliciet ontkend of rechtstreeks tot wankelen gebracht worden.

Toch zijn verschuivingen mogelijk. Maar alleen wat ons verrast, heeft een effect. ‘Je bent mijn beest, pak me hard’, fluistert de geliefde, en meteen begrijpt de ander dat die nooit ervaren werd als een seksuele klungel. ‘Van alle werknemers ben jij degene die het minst komt klagen’, zegt een overste, en de collega, die zich over zijn afhankelijkheid schaamde, valt van zijn stoel. De verrassing is vaak ook die van de revelatie: blijkbaar zag ik mezelf als onaantrekkelijk, als sociaal onbekwaam, als vragend, maar dat rijmt niet met de woorden die de ander plots uitspreekt.

Opvallend: wanneer we denken dat we elkaar goed begrijpen, verdwijnt die mogelijkheid tot verrassing. De andere zal bovendien in de klinische consultatie de therapeut veelal net tot zo’n wij-gevoel, waarin ‘we elkaar begrijpen’, proberen te verleiden. In de verhouding met naasten gaan we vaak verder en wensen we soms een wereld van gelijken ‘die ons beschermt tegen de buitenwereld’. Wanneer ik me bij een patiënt te gevangen voel in cirkelredeneringen die vanzelfsprekend lijken, doe ik een bewuste inspanning om afstand te nemen. Pas als buitenstaander kan ik opnieuw verbaasd zijn. ‘Het verwondert me dat telkens als u iets naars tegenkomt, u het aan uzelf toeschrijft, en telkens als u iets goeds overkomt, zegt dat het toeval is’, zeg ik dan bijvoorbeeld. Dat slaat de ander uit zijn lood. Of: ‘Ik denk dat die man verliefd is op u.’ En de vrouw, die zich er al had bij neergelegd erotisch onzichtbaar te zijn, staat perplex.

Het contra-intuïtieve is dus dat ik als hulpverlener soms pas iets kan betekenen als ik me kan loswringen uit de betrokkenheid van de band. In de liefde zoeken we vaak het comfort bij onze gelijke, die ogenschijnlijk met dezelfde problemen kampt. Maar in die gesloten cirkel is er geen echte plaats voor een ander die meer is dan een verlengstuk van onszelf. Zoals Paul en Virginie, uit de roman van Bernardin de Saint-Pierre, die minnaars werden nadat ze samen waren opgegroeid, zijn we dan spiegels voor elkaar, waarin de blik wordt gevangen in een oneindige terugkaatsing. Er is geen verschil en daarom kan ook niets nieuws verschijnen.

Het ‘ons kent ons’ in een gepolariseerde wereld is daarom niet zozeer een problematische opstelling dan wel een dubbele inschattingsfout. Om te beginnen onderschatten we hoezeer de zwaarste terreur vooral door het eigen hardnekkige misprijzen ontstaat. Bovendien denken we dat die angst gesust kan worden door het comfort van de vertrouwde kring. Maar net de anderen, die dingen anders benaderen, werpen soms een verbazende blik. Wanneer we het vreemde in ons midden ontvangen, verhogen we de kans op zulke verrassende ontmoetingen, en dus ook op interacties waarbij we plots de ketens verliezen waarvan we het bestaan zelf waren vergeten. Laten we Bilzen dus niet in brand steken. Laten we die buitenkans niet verliezen, een kans op meer minzaamheid voor onszelf, en in reactie daarop meer liefde voor de ander, niet als opdracht, maar in een elan van erkenning die de andere toekomt.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *