Ariane Bazan De Standaard – donderdag 16 maart 2023
-Foto: Mensen die seksueel bewust omgaan met hun ‘onaanvaardbare’ verlangens, worden sociaal weerbaarder-
‘Maar je pleit er niet voor taboes op te heffen?’ vroeg de moderatrice, Dominique Collet van het FAAR-festival, me zaterdagavond tijdens het debat ‘Vergeten Lichaam’ in Oostende. Eerder wilde ze weten waarom zo veel seksuele fantasieën nog altijd taboe zijn. Freud legt in Totem en taboe uit hoe fundamentele verboden aan de grondslag van de beschaving liggen.
Een van die fundamentele verboden is het verbod op kannibalisme. Dat moeten we niet per se letterlijk nemen. Het gaat niet alleen over elkaar niet opeten, het betekent ook dat je de medemens niet als een gebruiksvoorwerp ziet. Dat is essentieel om op een min of meer -beschaafde manier met de anderen samen te leven.
Het probleem is dat we, om tot seksuele opwinding te komen, wellicht allemaal naar fantasieën grijpen die dat verbod naast zich neerleggen. Vaak houdt seks het behandelen van de begeerde medemens als voorwerp in – van onze blik, van onze handeling, van onze penetratie. We begeren de ander als object in scenario’s waar we dorstig naar zijn. Dat gebeurt deels bewust, maar ook goeddeels onbewust. Een onthutsende, maar vaak ook opwindende ontdekking van het volwassen leven is hoe wederzijds die verboden begeertes zijn. Je kunt geen seksuele fetisj bedenken of er zijn ook mensen die hunkeren naar de wederzijdse rol.
‘Some of them want to use you, ¬some of them want to be used by you’, zongen Eurythmics in de jaren 80. Precies die tweespalt – onherleid¬bare verboden als pijlers voor ¬beschaving én fantasmagorische overtredingen als voorwaarde voor seksueel genot – verklaart het taboekarakter van onze seksuele fanta¬sieën. We hebben in het menselijke verhaal het bandeloze van het orgiastisch genot opgegeven, en dat is onbetwistbaar een goede zaak. -Beschaving is onze horizon. Dat antwoordde ik op de vraag in het festival. Maar precies om die reden, en fundamenteel niet vanwege religieuze of culturele voorschriften, ervaren we (soms grote) weerzin als we beseffen hoe opwindend fantaseren over het overtreden van die verboden kan zijn.
In mijn praktijk merk ik dat vooral vrouwen het daar moeilijk mee kunnen hebben. Hoe kun je het idee van jezelf als ‘goed of lief mens’ of als ‘geëmancipeerde vrouw’ rijmen met de behoefte om je te laten beschimpen en vernederen, met de behoefte naar een ruige, zelfs vuile man, of omgekeerd, met de behoefte je partner te domineren en zelfs te kastijden? Het is niet eenvoudig om beide registers te rijmen, ook omdat we (nog) niet over de conceptuele instrumenten beschikken om een duidelijk verschil te maken ¬tussen het psychische en het sociale luik van het leven. Maar in deze is dat onderscheid cruciaal.
In de intimiteit van onze binnenkamers, tussen meerderjarige en consensuele partners, kunnen we alleszins wel modaliteiten vinden om taboedoorbrekende scenario’s tot ontlading te brengen: van rollenspellen tot vunzige taal, het is niet zo moeilijk om een psychische spanning op te bouwen. Maar wat je in je slaapkamer doet, zegt niets over wat je in de sociale ruimte doet. Voor wie met beide bewust en verantwoordelijk omgaat, hebben seksuele fantasmen en morele waarden niets met elkaar te maken.
Opvallend is ook hoe in mijn praktijk een omkering merkbaar kan worden: mensen die seksueel bewust omgaan met hun ‘onaanvaardbare’ verlangens, worden sociaal weerbaarder. Als bij iemand zich een nood aan vernedering manifesteert die niet intiem tot ontlading kon komen, dan lijkt die mens bijzonder vaardig in het spotten van elke kleine gelegenheid tot vernedering in het sociale verkeer, en ook om daar met veel omhaal aanstoot aan te nemen.
Omgekeerd heeft iemand met een dominant fantasme soms een waar talent om alle vermeende of minieme zwakheden van de anderen bloot te leggen en te bespotten. Uit elk sociaal akkefietje wordt maximaal intiem genot gehaald, ten koste van de sociale verhoudingen die onder spanning komen te staan. Ook die mensen zelf kunnen er tegelijk een groot onbehagen bij ervaren. Wordt die drang naar vernedering of dominantie intiem vervuld, bijvoorbeeld doordat mensen milder worden voor de eigen fantasieën en er in masturbatie of in seks meer ruimte aan geven, dan hoor je in de consultatieruimte minder verhalen over schimpende collega’s, minachtende buren of kwade vrienden. De verhoudingen lijken te louteren, worden speelser en bevredigender, de mens wordt sociaal coulanter en professioneel krachtdadiger. De intiem ontladen spanning loopt niet over in de maatschappij. Als je er even bij stilstaat, is de slotsom niet min: beest in bed en mens in de beschaving is misschien een recept voor wereldvrede?
Category Archives: Uncategorized
Wanneer ideeën en wapens niet overtuigen
We hebben nood aan wat meer erotiek
https://www.standaard.be/cnt/dmf20210623_97959123
In de twaalfde eeuw deed in het Westen de hoofse liefde haar intrede, mee onder invloed van de Arabische cultuur. Die omgangsvorm, die als doel heeft ongetemde driften in goede banen te leiden, is een pijler van de beschaving. Ook vóór die tijd bezongen mensen de liefde, maar vanaf dan werd l’amour courtois een literaire vorm die een verheven schoonheid uitdraagt van wat zich kan ontwikkelen tussen liefdespartners. Het bood een alternatief voor wie gefrustreerd was in de liefde: wanneer de liefde op het eerste gezicht onbereikbaar was, kon het spelterrein van de gewone omgang naar de taal verschuiven. En uitzonderlijk kon de ontoegankelijke dame met taal toch tot een kus verleid worden, en een enkele keer zelfs tot meer.
In onze rauwe realiteit en haar virtuele valse tegenhanger zou een nieuwe erotiserende golf die door de samenleving heen loopt, welkom zijn. Maar die golf komt moeilijk van de grond, misschien omdat we erotiek in de eerste plaats met seks associëren. Dat is een denkfout, want het gaat vooral om verleiding. En als het goed is, mondt die uit in sensualiteit in de breedste zin van het woord: de ander verwelkomen met al zijn onhebbelijkheden en lijfelijke ongemakken. Het medium bij uitstek om dat te doen, is taal. Taal die verleidt, doet de ander even opstijgen. Het leven wordt lichter, de horizon breder, het gemoed vrolijker.
Die eros is zeker nodig als het niet meer lukt om een beschaving samen te houden met wetten en regels. Het debat over de hoofddoek is daar een voorbeeld van. Nu het afdwingen van het hoofddoekenverbod tot heftige conflicten leidt, moeten we misschien van strategie wisselen: vrouwen dienen zich tot ontsluieren verleid te voelen. We moeten zin hebben om elkaar met open gezicht en ontblote glimlach te verwelkomen. We moeten zo vervuld zijn van het veilige gevoel van goede ontvangst, dat we spontaan het gelaat ontbloten. Gebeurt dat niet, of moeten we te veel regelgeving of politie inzetten om dat waar te maken, dan verschuift op een bepaald ogenblik de balans. Een afgedwongen ontsluiering houdt dan alleen de schijn van beschaving hoog, niet de beschaving zelf.
In de twaalfde eeuw bestonden er ‘minnehoven’ die op speelse wijze hoorzittingen hielden waarin liefdesrivalen elkaar bekampten. Wie het krachtigst kon verleiden met woorden, werd de winnaar, en kreeg roem. Kunnen we geen moderne minnehoven bedenken? Elke kwestie zou er, op vraag, welkom kunnen zijn. Een directielid van de MIVB zou zich kunnen inschrijven voor een ridderspel rond religieuze diversiteit op de werkvloer, en misschien zou een werknemer, of een andere burger, wel de handschoen kunnen opnemen.
Nog zo’n voorbeeld zou seksuele intimidatie op straat kunnen zijn. Een vrouw die daarover wil getuigen, zou zich kunnen inschrijven. Iemand die op straat weleens vunzig uit de hoek komt, of een getuige, of een betrokken burger, zou het spel kunnen aangaan. Of we huren moderne rederijkers in, die helpen om onder woorden te brengen van wat maatschappelijk kwelt en nijpt.
Toen ik in de federale adviesraad Celeval zat, heb ik ervoor gepleit om het debat te organiseren tussen mensen met tegengestelde meningen over het coronavirus, en hoe het (al dan niet) te bestrijden. Velen reageerden daar huiverig op. De angst was dat we de polarisering zo nog erger zouden maken. Terugblikkend denk ik: kon het erger zijn dan wat we nu zien, al die complottheorieën die welig tieren? Ook daarover zouden ‘tegenstanders’ elkaar liefdevol kunnen bevechten.
In de moderne minnehofvariant blijft de regel dat de spelers, zoals in de liefde, verleidingsargumenten moeten hanteren. Het gaat erom de ander tot jouw standpunt te verleiden, door te zoeken naar de woorden die het dichtst aansluiten bij een vorm van universele menselijkheid. Het is moeilijk om niet geraakt te worden wanneer de woorden snijden ter hoogte van waar we als mensen allemaal gevoelig voor zijn: respect voor de eigen waarden, de eigen noden, de eigen limieten. En wie geraakt is, laat niet makkelijk de ander los en verliest niet snel het vertrouwen in de samenleving.
Zoals Sheherazade al wist: als we het gesprek gaande kunnen houden, als we zo kunnen spreken dat de ander verder wil spreken, wint het leven.
Een goed gesprek met psychologen
https://www.standaard.be/cnt/dmf20210526_97645875
Naar aanleiding van de zaak-Conings vroeg ik me af hoe een gesprek zou verlopen tussen de ministerraad en een delegatie van psychologen die zich verdiept hebben in de ‘wetenschap van de onredelijkheid’. Misschien zou het zoiets kunnen zijn.
‘Uiteraard, meneer de eerste minister, kunnen we de menselijke geest niet met een virus vergelijken’, begint de voorzitster. ‘Maar de menselijke geest werkt soms wel op dezelfde manier, associatief en epidemisch: bij geesten die dicht bij elkaar staan, kan een idee overspringen, ook schadelijke ideeën die tot geweld kunnen leiden.’
Een collega pikt in: ‘In “normale tijden”, wanneer die ideeën niet heel sterk leven in de bevolking, is dat niet zo’n probleem. We weten dat er altijd extreme gedachten zijn, en eigenlijk horen die erbij. Wanneer we rechtvaardig samenleven, zijn die ideeën ongevaarlijk. Maar in een samenleving die anderen heeft gediscrimineerd of uitgebuit, kunnen die ideeën tot reacties van geweld leiden. Ook de geschiedenis speelt een rol. Geen enkel land kan zonder meer fier zijn op zijn geschiedenis. Dat we het in West-Europa zo goed hebben, komt ook omdat er veel rijkdom kwam uit de kolonies, om maar iets te zeggen.’
‘Laten we bij de zaak blijven’, onderbreekt de premier.
‘Ik denk dat ik het begrijp,’ zegt de minister van Leefmilieu opgetogen, ‘ook voor de natuur geldt hetzelfde: wanneer we ons houden aan een vorm van harmonie jegens onze biotoop, dan riskeren we geen epidemieën – wanneer we daarentegen de natuur steeds verder uitbuiten, dan stellen we ons bloot aan “reacties”, aan virussen bijvoorbeeld.’
‘Precies,’ gaat de eerste psychologe verder, ‘een beperkte reactie vinden we ook redelijk: wie wind zaait, zal storm oogsten. Maar soms kan de menselijke dynamiek op die van een virus lijken.’
‘Maar de mens is geen virus!’, protesteert de minister van Volksgezondheid.
‘Nee, de mens is geen virus. De mens is een denkend wezen, maar het nadenken is er in de evolutie bijgekomen en heeft de onredelijkheid niet vervangen. We zijn tegelijk redelijk en onredelijk, en de mechanismen van het onredelijke lijken verduiveld sterk op die van het virus. Als er een voedingsbodem voor is, kan één iemand, of een kleine groep mensen, snel heel kwaad worden, en plots veel mensen aansteken. Dan heb je een lokale haard, die, voor je het weet, nationaal of zelfs internationaal uitbreidt. Dat is “een exponentiële dynamiek”, een beetje zoals een ontploffing. Of die ontploffing er komt en waar, is toevallig. Soms denk je: hier gaat iets ontploffen, en dan gebeurt dat niet, soms denk je: hier is alles veilig, en dan ontploft het toch. Dat onvoorspelbare verloop noemen we “contingent”. Het liefst willen we geen rekening houden met zo’n grillige gang van zaken: “We mogen ons normale leven niet laten verpesten door een paar enkelingen!”, zeggen we dan, en we willen het liefst denken dat het maar om een eenmalig incident ging.’
De tweede vrouw van de delegatie raapt haar moed bijeen, en met een trillende stem zegt ze: ‘Maar zo’n incident kan opnieuw gebeuren en grote gevolgen hebben. We raden aan dat in zo’n periode van verhoogde gevoeligheid publieke stemmen tijdelijk een vorm van terughoudendheid aan de dag leggen, een vorm van afstand, of soms zelfs een blad voor de mond nemen.’
‘… een masker, en nu nog een blad voor de mond ook, is dat niet wat veel?’, schertst een minister van de Vlaamse regering.
‘We bedoelen een soberheid in het spreken, waarbij we tijdelijk heel strikt bij de zaak blijven, en niet op de man spelen.’
Een golf van gemor gaat door het gezelschap. ‘Uiteraard is dat vrijheidsberovend, en dus moeten we zo vlug mogelijk terug naar “normaal”’, zegt haar collega snel, ‘maar zolang dat niet het geval is, moeten we misschien rekening houden met mogelijk explosieve situaties.’
‘Ho, ho,’ zeggen de politici in koor, ‘dat kan niet, dat is inboeten op een fundamentele vrijheid, de vrijheid van meningsuiting.’ De eerste psychologe schuifelt ongemakkelijk: ‘Dat begrijpen we … en uiteindelijk voeren jullie beleid, niet wij. Wij zijn er om inzichten te geven. Misschien is het toch belangrijk om niet blind te varen.’
‘Ja, dat is waar’, besluit de eerste minister verrassend.
De minister van Volksgezondheid mijmert: ‘We hebben het exponentiële en contingente van de menselijke geest misschien toch onderschat. Toen sommigen dachten dat het “virusprobleem” ook zonder bijkomende maatregelen zou goedkomen, moesten we steeds wijzen op dat grillige, exponentiële virusgedrag … maar al die tijd hebben we zelf de grillige, potentieel explosieve logica van het menselijke denken ontkend. Hoe onredelijk was dat?’
De wetenschap van het onredelijk
https://www.standaard.be/cnt/dmf20210428_97748127
Op 21 april, één dag voor de Dag van de Aarde, verscheen de Franse vertaling van het boek van de Canadese activiste Naomi Klein (samen met Rebecca Stefoff), Vaincre l’injustice climatique et social (Hoe je alles kunt veranderen). Klein zegt dat we onmachtig zijn als we de menselijke natuur de schuld geven van de toestand van de planeet, want die kunnen we niet veranderen. Vechten tegen het economische systeem heeft wel zin, want dat kunnen we omverwerpen.
Sinds het begin van de beschaving hebben mensen geijverd voor vrede, harmonie en vrijheid en daartoe het bestaande sociaal-economische systeem bevochten. Elk nieuw model bracht groot nieuw leed. Slavernij, lijfeigenschap, inquisitie en theocratie, kolonialisme, imperialisme, neoliberalisme … er is geen model dat geen onnoemelijk onmenselijk leed heeft gebracht.
Volgens mij is het omgekeerd. Misschien is de eerste oorzaak van al dat leed niet zozeer het systeem, maar de menselijke conditie, die gepaard gaat met onredelijkheid en geweld – beide vind je onvermijdelijk terug in elk systeem dat de mens bedacht heeft.
Toch hoeft dat niet te betekenen dat we onmachtig zijn. Zo is er een soort van vooruitgang in de geschiedenis, hoe bescheiden ook. Lijfeigenschap is vreselijk, maar iets beter dan slavernij. Kapitalisme is vreselijk, maar beter dan veralgemeend lijfeigenschap. Parlementaire democratie loopt helemaal mank, maar liever dat dan een theocratie.
Die stappen waren vaak het resultaat van een gewelddadige opstand, en kwamen er door ‘scheidingen’ in te voeren. Het bloed van het religieuze staatsgeweld is in onze contreien zo vermengd met de straatstenen, dat het brandmerk van de scheiding tussen kerk en staat nog in onze geesten nagloeit. Dankzij de verlichting en na de Franse en Amerikaanse revoluties kwam er een scheiding tussen rechterlijke, uitvoerende en wetgevende macht, een nieuwe pijler voor een iets vredevollere en eerlijkere staatsorganisatie. Meer in het algemeen is het de verscheidenheid aan instellingen, zoals scholen, ziekenhuizen, universiteiten, bibliotheken, psychiatrische centra, gevangenissen en gemeentehuizen, die ons samenleven heeft verbeterd.
Een volgende grote stap in de beschaving is de scheiding tussen de wetenschap van het lichaam en de wetenschap van de geest, en de daarmee verbonden erkenning van een autonome psychologische wetenschap – een psychologie die niet langer kuis wordt doorgeslikt in het ‘biopsychosociale model’, waarbij de schaamlapjes voor en na het tussenvoegsel ‘psycho’ moeten verbergen dat we doorgaans niet echt kunnen duiden wat het ‘psychische’ juist is.
Zo’n erkenning zal niet alleen een grote vooruitgang betekenen in de geestelijke gezondheidszorg, en een enorme besparing van de staatskas. Geneeskunde is efficiënter bij een organisatie die enigszins voorwaardelijk is: je kunt naar een specialist gaan als je huisarts je heeft doorgestuurd. De aard van je lijden bepaalt grotendeels je behandelingstraject, van acute, chronische tot intensieve hulp, en dat over de verschillende specialiteiten. Efficiënte geestelijke gezondheidszorg gaat daarentegen uit van de grootst mogelijke onvoorwaardelijkheid: mensen zijn het snelst weer veerkrachtig bij een onvoorwaardelijke begeleiding die stoelt op de menselijke verhouding, dan wel op de aard van het lijden, en die zo veel mogelijk elke vorm van etikettering vermijdt. Specialisaties in de geestelijke gezondheidszorg zijn zowel valkuilen voor de psychische robuustheid van de patiënten als structureel onverzadigbare putten voor de staatskas.
Een scheiding tussen lichaam en geest zal ook en vooral ons politieke wezen ten goede komen. Nu is politiek, bij gebrek aan beter, gebaseerd op het model van de redelijke mens. Maar het is pas als wetenschap van het onredelijke dat psychologie het politieke denken omver kan gooien. Een psychologische wetenschap met autoriteit dwingt het politieke wezen in te zien dat elke regelgeving structureel onder druk staat van een extreme marge die zowel binnen als buiten het wettelijke kader de ‘goede bedoelingen’ van het systeem kan en zal ondermijnen. Sterker, psychologie kan ons van de illusie afhelpen dat het de schuld is van een beperkt aantal rotte appels – een te isoleren clubje van ‘slechte mensen’ – dat we zo de utopie mislopen.
Psychologie toont zo dat er in de menselijke conditie geen ruimte is om het utopische veilig te stellen voor iedereen en dat politiek zich de niet minder edele taak moet aanmeten om, tegen die horizon van onmogelijkheid in, met liefde en onvermoeibaar, geweld te ontmijnen en oneerlijkheid in te dijken. Alleen deze sisyfustaak houdt de belofte in voor de beste der werelden.
We willen geen foute mensen zijn
https://www.standaard.be/cnt/dmf20210303_98180265
We vergissen ons: Johan Anthierens is er nog, levend en wel. Hij kwam de laatste weken niet tussen op televisie of in de kranten, maar vertoefde tussen zijn broers en zussen, zijn neven en nichten. En het ging er heftig aan toe, zoals steeds met de man. Sommigen waren boos, sommigen gekwetst. Er kwamen dure eden en er moest gezworen worden. We zullen het nooit meer doen, zo werd opnieuw beloofd. Dat is het leven: we doen het nooit meer, tot de volgende keer.
Natuurlijk herhalen we niet wat achteraf fout bleek. We willen geen foute mensen zijn. En dat is meteen de reden waarom Johan niet wil doodgaan. Hij verzet zich niet alleen tegen het ouder worden, maar ook tegen het over-lijden – het idee dat je iets met een ultiem lijden kan oplossen. Het is de reden waarom hij steeds weer keet schopt, deze keer in familiale kring.
Als zijn nicht kan ik getuigen dat we in de familie een versie van het Vlaamse verhaal overdoen. Er loopt weer een breuklijn tussen zij die kwaad zijn over de alsmaar opgerakelde verwijzing naar de oorlog. Anderen zijn verbijsterd over wat als een taboe overkomt, maar niet meer lijkt dan een sobere benoeming van de feiten. Door Johan blijft het op dat vlak onrustig, is niets overleden. En misschien was dat ook zijn punt.
Eigenlijk geloof ik er niets van, dat Johan Anthierens tegen de schenen schopte omdat hij het niet kon laten of omdat demonen in het holst van de nacht in zijn pen kropen. Was het maar zo, ik zou hem dat stukje sadistisch plezier gunnen. Nee, ik denk dat het plichtsbewustzijn was. Hij schopte tegen de schenen omdat hij het niet mócht laten. Hij kwelde zichzelf met de wreedaardige uitdaging om de ongenaakbaren aan de tand te voelen en compromisloos te tarten. En die kastijdingsopdracht ging verder dan zijn credo: recht leven is zeggen wat je denkt, zonder omzien. Die blijvende onrust, daar ging het over.
Johans lijf en lijk zijn het brandende toneel van een blijvend kwellende opvoering. Mensen zijn ondraaglijk scherp en ondraaglijk fout, en daarnaast zijn ze onweerstaanbaar minzaam. Geen van beide gaat ooit voorbij. Het goede en het kwade zijn onontwarbaar vervlochten, en ze lopen vaak in elkaar over.
Het bloedend hart dat we voor anderen overhebben, is geen teken en nog minder een garantie dat we niet tot bijzonder foute keuzes of foute daden kunnen overgaan. Zelfs met de ogen open, zelfs al zijn er veel waarschuwingstekens, zoals vaak achteraf blijkt. Er zijn geen goede en kwade mensen, en zelfs geen juiste en foute levens.
Met morele hoogmoed wijzen we in het verleden de onmiskenbare duivel en zijn acolieten aan. Maar zijn wij dan zo zeker van de grond waarop we staan? En van de gerechtigheid van onze strijden? Wat achteraf schadelijk blijkt, verschijnt op het moment zelf niet met dat gezicht, zo toont de geschiedenis. Sterker nog, soms beroepen we ons op het foute verleden om kritiekloos een strijd aan te gaan, vaak in een sfeer van geconstipeerde politieke correctheid. We vergoelijken onze onkritische houding met het gegeven dat het doel edel is.
Om een paar voorbeelden te noemen: wie durft het vandaag aan om populaire campagnes, zoals Kom op tegen kanker of de ‘vierstippenactie’ tegen pesten kritisch tegen het licht te houden? De kankercampagne heeft tot gevolg dat in de psychologiedepartementen de aandacht en de middelen met boulimische gulzigheid naar psycho-oncologie gaan, ten koste van de minder mediagenieke verslaafde of schizofrene patiënten. En wat de vierstippenactie betreft, ben ik sceptisch over de aanpak van pestgedrag. Pesten is bijna steeds een uiting van mentaal ongenoegen. Je kunt het dus niet door sociale controle verbannen zonder er elders een prijs voor te betalen.
Activisme moet een solitaire aangelegenheid zijn, tenzij we bereid zijn elkaar pijnlijk scherp tegen de schenen te blijven schoppen. Misschien was dat ook dat wat Johan dreef toen hij goede vrienden als Hugo Claus of Pjeroo Roobjee aanviel. Waarvoor mensen staan, is onmenselijk: met het kwade in eigen boezem en in intieme kring omgaan, en blijven omgaan, zonder perspectief op uitroeiing of zuivering. Dit veroordeelt ons tot een vorm van permanente ongerustheid. ‘Le temps des cerises’ is voor onze begrafenis, niet voor tijdens ons leven.
We zijn belachelijk onredelijk
https://www.standaard.be/cnt/dmf20210203_98006043
Vlaanderen en psychoanalyse, dat blijft een moeilijk verhaal. De kritiek is vaak snoeihard, en dat is niet steeds onterecht. Waarom verdwijnt dat slechte imago niet? Het uniek weerbarstige van psychoanalyse is niet verdringing, niet Oedipus en zelfs niet het onbewuste op zich, maar de vaststelling dat belachelijk onredelijke mechanismen onbewust mee bepalen hoe we functioneren. De onzinnige aard van die onredelijkheid geeft het verheven statuut van de mens, na ook Darwin, een definitieve doodsteek. Veel psychoanalytici na Freud hebben dat aspect van zijn werk wellicht niet begrepen en vaak genegeerd. Een van de psychoanalytici die Freud daarin wel volgde, was Howard Shevrin, bij wie ik mijn postdoctoraal onderzoek deed.
Tijdens de bar koude winter van 1944-45 was de achttienjarige Shevrin frontsoldaat bij het Amerikaanse leger. In Bastogne werd de voortgang van de Duitsers gestopt: de soldaten waren gered. Maar de kou had intussen een van zijn tenen aangetast. Shevrin kwam in het militaire ziekenhuis van Oxford terecht, waar hij zijn gangreen liet verzorgen. In de statige bibliotheek zag hij het werk Droomduiding van Freud. Hij begon het boek te lezen en viel omver. De jongeman had een rationele, wetenschappelijke geest. ‘Mesjogge!’ – ‘onzin!’ – spuugde hij in het Jiddisch en hij schoof het boek onder zijn ziekenhuisbed.
‘Mesjogge!’, zo sloot de 41-jarige Sigmund Freud vijftig jaar eerder, in 1897, zijn brief naar zijn hartsvriend Wilhelm Fliess af. ‘Ik vertelde je al over een patiënt van me, Meneer E., hoe hij een angstaanval kreeg toen hij als tienjarige jongen een zwarte kever probeerde te vangen. Hij komt heel moeilijk tot keuzes in het leven. Gisteren vertelde hij in de sessie hoe hij als kind een gesprek tussen grootmoeder en zijn tante had opgevangen. Zij vertelden hoe Marie, zijn moeder, lange tijd niet kon kiezen tussen twee mannen voor ze zijn vader huwde. Plots gingen zijn gedachten opnieuw naar de zwarte kever (Käfer), en van daaruit naar lieveheersbeestjes (Marienkäfer). We sloten de sessie af. Toen hij vandaag terugkwam, vertelde hij me hoe, plots, de betekenis van de kever bij hem was opgenomen. Als kleine jongen had hij een Franse kinderjuffrouw, zijn eerste liefde, en hij sprak Frans voor hij Duits leerde. Käfer, zo zei hij, klinkt ook als Que faire?, Wat zal ik kiezen? Dat is precies de vraag die zowel zijn moeders onvermogen om te kiezen als zijn eigen onbeslistheid samenvat. Mesjogge!’
Freud was verbijsterd te merken dat mensen hun zielenroerselen op zo’n onredelijke manier kunnen verknopen met woorden, en hun gevoelens van het ene woord naar het andere verschuiven, louter op basis van een toevallige fonetische gelijkenis. Ook Freud was een kind van de verlichting, die in de mens als redelijk wezen geloofde, maar toch blijf hij als wetenschapper trouw aan wat hij waarnam.
Terug naar 1945. Shevrin haalde het boek van Freud weer boven en las verder. Toen hij uit het ziekenhuis ontslagen werd, stal hij het. Hij werd naar het Amerikaanse kwartier in Berlijn gestuurd: ‘Ik zag er moeders met kinderen, die aanschoven voor een rantsoen, het was zo koud dat sommigen ter plaatse van vrieskou stierven.’
Na de oorlog deed hij als hoogleraar psychologie en als een van de zeldzame psychoanalytici aan experimenteel onderzoek. De droom is een rebus, had Freud geschreven. Shevrin besloot die hypothese aan een experimentele toetsing te onderwerpen. Hij toonde proefpersonen vlak voor ze gingen slapen een rebus: een tekening van een pen en een van een knie. Terwijl ze droomden maakte hij ze wakker. Wanneer ze vrij associeerden, zinspeelden ze onder meer op het woord ‘penny’. Dat was de oplossing voor de rebus (pen en knee) in het Engels. De namen van de dingen leiden in de geest een eigen leven die niet meer gebonden is aan hun oorspronkelijke betekenis.
Woordbruggetjes op basis van toevallige gelijkenissen, eigen aan de specifieke taal die we beheersen, verklaren mee onze obsessies, onze fobieën, onze liefdes … De willekeur waarmee ons mentale weefsel in elkaar haakt, is ontstellend. Om die in de ogen te kijken volstaat niet alleen de wetenschappelijke ernst van Freud of Shevrin. Wellicht is ook de rauwe nabijheid van de dood of van het menselijke drama nodig, die de waarheid voorrang kan geven op elke mogelijke narcistische behoefte aan een opgesmukt menselijk zelfbeeld. Dat verklaart hoe mensen zoals Freud of Shevrin die onredelijkheid niet hebben ontkend en tegelijk een redelijk denkkader hebben ontwikkeld om die te verklaren: onredelijkheid redelijk bevatten, dat is de unieke bijdrage van de psychoanalyse.
Wat me van het hart moet
https://www.standaard.be/cnt/dmf20210106_97885557
‘Er moet me iets van het hart.’ Ik ben in het ouderlijk huis in de Dordogne en ruim de papieren van mijn moeder op. Elk kattebelletje, elk interview, alles wat door of over haar broer Johan Anthierens werd geschreven, heeft ze bijgehouden. Mijn oog valt op deze aanhef en ik lees snel. Het valt me op hoe persoonlijk Johan schrijft. Hij heeft het over zijn leven, de mensen die hem nabij zijn. Nu ik me op een scharniermoment in mijn leven bevind, moet er me ook iets van het hart.
Volgende week gaan mijn partner en ik in de mooie Franse stad Nancy wonen. Het is een chassé-croisé met mijn ouders, die onlangs hun intrek namen in een rusthuis in Wallonië. Ik begin als hoogleraar aan de Université de Lorraine en verlaat de Belgische academische wereld. Ik was er beter betaald en had er een betere sociale bescherming, maar voor het soort onderzoek dat ik wil doen – experimenteel psychoanalytisch talig onderzoek – was er uiteindelijk geen geld. Do research or die trying, zo denk ik erover.
In deze coronacrisis heb ik me meestal sober opgesteld. Ik heb vaak met open geest geluisterd naar sceptische opmerkingen, fervent het recht op kritische oppositie verdedigd en experts tot meer bescheidenheid in hun communicatie verleid. Maar nu in mijn leven de dood om me heen waart – mijn vader die me met covid-koorts en terreur in de blik aankijkt, mijn moeder bij wie het licht zachtjes uitdooft, hun rafelende liefdesverhaal – moet er me iets van het hart.
Wat doet het ertoe of de coronatests over- of ondergevoelig zijn? Wat doet het ertoe of je de cijfers in verhouding moet plaatsen tot het aantal afgenomen tests, of je rekening moet houden met hun gevoeligheid, met de aard van de geteste populatie? Wat doet het ertoe of het dezelfde of andere coronavirussen zijn die mensen ziek maken? De waarheid van deze crisis speelt zich niet af op papier of in intellectuele discussies. Ze speelt zich af in de realiteit, en die is gewelddadig. Het gaat om geweld wanneer mensen ziek worden en sterven, wanneer ze hun broodwinning verliezen, wanneer het krap wordt op het einde van de maand, wanneer de jongsten, de oudsten, de zieksten verloren raken in het isolement en het verdriet van de verwijdering. Het gaat om geweld wanneer jongeren zich verliezen in zelfvertwijfeling en hopeloosheid.
Ik loop door de oude foto’s, de briefjes en de brieven tussen mijn moeder als jonge vrouw en haar moeder, hun intense liefde op een achtergrond van verdriet. Het zijn handgeschreven, slordige brieven van mijn oma aan mijn moeder: ‘Kindeke mijn, mijn luttepetut, lieve dochter.’ Met de dood zo nabij, de nakende dood ook van grote liefdesverhalen, worden de woorden scherper en de waarheid urgenter: het doet er niet toe, het doet er absoluut niet toe.
Welke kant we ook uitkijken, er is geen uitweg die niet gewelddadig is. Het komt uiteindelijk goed, maar ondertussen is geweld onvermijdelijk. En daarom moeten we iets doen wat we niet graag doen: bedenken dat er een hiërarchie is binnen vormen van geweld. Ziekte, dood, armoede, isolement en angst zijn altijd vreselijk – en toch is er een hogere trap van geweld.
Herinnert u zich de verschrikking van een slachtoffer bij de aanslag in Zaventem, dat om de ene man te kunnen helpen, een andere moest laten sterven? Hoort u nog Laetitia, de verpleegster op intensieve zorg, in tranen: ‘Je moet die mensen in de ogen kijken en zeggen dat je hen niet zal kunnen helpen’? Dat is een hogere trap van geweld. Wanneer we, deze pandemie relativerend, mensen verplichten anderen te laten vallen of niet te hulp te komen – of dat nu jonge of oude, zieke of gezonde mensen zijn – overtreden we een basiswaarde van de beschaving, die van de onvoorwaardelijke broederlijkheid: de belofte dat we elkaar nooit in nutstermen, maar steeds in liefdestermen zullen bejegenen.
Telkens wanneer we die belofte overtreden, wanneer we afwegingen maken over wie het meer waard is om in leven te blijven, davert de beschaving op haar grondvesten. In de geschiedenis van de mensheid zal het er niet toe doen of dat nu was op basis van overdreven of juiste cijfers, op basis van één of meerdere virusstammen. Over honderd jaar zijn zulke discussies anekdotiek voor doctoraatsstudenten. Wat we zullen onthouden, is of we in deze crisis waardig bleven als mensen, en steeds alles over hadden voor elk van ons.
Hinkend regeren over hinkende mensen
https://www.standaard.be/cnt/dmf20201210_95738875
Kritische vragen moet je met inhoudelijke argumenten beantwoorden, niet met autoriteitsargumenten, schrijft columniste Ariane Bazan.
Mensen zijn altijd minstens deels onredelijk. Door de taal leven we veel meer dan andere diersoorten in een mentaal theater van gedachten. Daarom hebben we vernuftige systemen ontwikkeld om ‘denktreinen’ te stoppen. Wanneer de rem niet sterk genoeg of net te sterk is, zijn we kwetsbaar voor onredelijkheid.
Soms zullen we denktreinen laten doorrazen: we beschermen ons tegen ingebeeld gevaar (paranoia) of laten ons verleiden door illusies (wishful thinking). Soms volgen we bestaande sporen niet. Wanneer een ander zegt ‘had je daar dan niet aan gedacht?’, beseffen we vaak dat het begin van die gedachte in ons was opgekomen, maar dat we die niet hadden afgemaakt. Het denkpad was versperd. Dat heet een gebrek aan kritisch denken. In beide gevallen verliezen we het overzicht. Het onredelijke is een van de achilleshielen van de menselijke conditie, een kwetsbaarheid die komt met de taal.
Wie goed wil regeren, moet hiermee rekening houden: hoewel verlichting steeds de horizont moet zijn, is het onredelijk om van redelijkheid uit te gaan. We moeten van elkaar verwachten dat we verlicht zijn, maar tegelijk het gemeenschapsleven zo organiseren dat het overweg kan met onredelijkheid. Het is onmogelijk om zo goed te regeren dat het gezond verstand het steeds haalt, toch maken zij die regeren die denkfout soms – ook zij hebben achilleshielen. Wie regeert, kan alleen hinkend regeren over hinkende mensen.
De pandemie maakt veel emoties los, en het vergt heel wat denkwerk om die te kanaliseren. In een Pano-reportage vertelt iemand hoe ze overmand werd door angst, en dat informatie zoeken de enige manier was om tot rust te komen. Maar denktreinen die te snel tot conclusies leiden, of die je met kritische vragen niet tot andere wegen kunt verleiden, zijn onredelijk. In het geval van de pandemie kan dat problematisch zijn, omdat niet iedereen de maatregelen zal willen opvolgen, maar ook omdat verschillende denkbeelden over een gemeenschappelijke realiteit, mensen uit elkaar halen.
Ook beleidsmakers, experts, journalisten en wetenschappers zijn niet van onredelijkheid gespaard. Binnen het adviesorgaan Celeval, dat intussen opgedoekt is, ging het bijvoorbeeld vooral over hoe een boodschap zo duidelijk mogelijk over te brengen. Als een boodschap de juiste vorm heeft, zal die wel aanslaan, denken we. Toch blijft informatie met een grote emotionele impact sowieso vaak onverteerbaar en ketsen we die veeleer daarom af, ook al vechten we de vorm aan. De pil kan zo zuur zijn dat de verpakking er soms niet toe doet.
Maar, zoals sommigen het leed door het coronavirus afzwakken, veronachtzamen anderen het verzet tegen een officieel discours. De ironie is dat beide opstellingen wellicht door eenzelfde soort angst gevoed worden: we zien geen uitweg
Toch zijn er manieren om met onenigheid om te gaan. Omdat we vaak uit angst zelf theorieën samenstellen, is het bijvoorbeeld niet zo’n schitterend idee om die met autoriteitsargumenten te lijf te gaan. Vertrouwen komt nooit onder druk. Wie niet voldoende vertrouwen heeft, moet net vertrouwen krijgen: kritische vragen moeten we met inhoudelijke argumenten beantwoorden, inclusief de onduidelijkheden en de vergissingen, zodat iedereen autonoom een oordeel kan vellen.
Hoe komt het dat massa-evenementen soms niet tot uitbraken hebben geleid? Omdat de dynamiek van het virus afhankelijk is van het toeval. Dat betekent dat we bij kleine bijeenkomsten pech kunnen hebben en bij grote toevallig geluk. Hoe komt het dat hydroxychloroquine eerst wel en dan niet leek te werken? Omdat de eerste resultaten op kleine steekproeven werden behaald en niet steeds volgens een methode die het wishful thinking van de onderzoeker buitenspel zette. De latere blinde steekproeven toonden herhaaldelijk dat het middel niet werkte. Bij zo’n open uitwisseling van feiten, is de boodschap minstens dat we met voldoende precieze informatie makkelijker tot soortgelijke besluiten komen.
Wanneer alles op losse schroeven lijkt te staan, zoekt een regering naar een eenheid van commando, en wil ze dat alle neuzen in dezelfde richting staan. Het is een hele uitdaging om dat krachtdadige handelen parallel te laten lopen met een debat, waarbij het al even urgent is om rustig te blijven bij onenigheid, autoriteitsargumenten los te laten en vertrouwen te geven. Niet omdat dat garant staat voor een goede afloop, maar omdat het er de beste kans toe geeft. En in een democratie is het de enige optie.
Verzoenen in een oefening in bescheidenheid
https://www.standaard.be/cnt/dmf20201111_97923870
Velen kennen van Sigmund Freud het begrip ‘incestverbod’, maar weinigen kennen de positieve tegenhanger, het ‘exogamiegebod’. Om rivaliteiten binnen de groep niet tot groot geweld te laten oplopen, moeten we huwelijkspartners buiten de stam vinden, en zo een voortdurende stammenvermenging in de hand werken. Freud steunt voor deze veronderstelling op het werk van Charles Darwin over de ‘primitieve horde’. Wat hij bedoelt, is dat beschaving pas mogelijk is, wanneer we de andere (de mens met een andere taal, andere gebruiken, andere kentekens) in de eigen intimiteit verwelkomen, en dit in de meest prozaïsche betekenis van het woord ‘verwelkomen’. Pas de ontmoeting met het verschil vraagt om liefde die verder reikt dan eigenliefde.
Empathie is de veelgevierde waarde van liefde voor wie we begrijpen, voor wie reageert zoals we zelf zouden reageren. Dat is een spiegeling die ook sterk aanwezig is bij andere zoogdieren. Maar het exogamiegebod is van een andere orde: het veronderstelt dat liefde zich pas in het verschil kan tonen. ‘Wat je me hier nu zegt en wat je hier nu doet, dat begrijp ik echt niet, dat werkt zelfs op mijn zenuwen, maar kom hier in mijn armen, en probeer het me nog eens uit te leggen, ik luister.’ Altruïsme is het omhelzen van het verschil, van de ‘vreemde’, de ander, voor wie we weinig empathie kunnen opbrengen, maar daarom niet minder liefde. Zo is altruïsme wat het verschil maakt tussen dier en mens, en tussen een horde en een beschaving.
Er zijn perioden in de geschiedenis waarbij groepen mensen wat meer horden worden. Zo zijn er nu misschien horden mensen die in het gevaar van het virus geloven, en horden die er niet in geloven, horden mensen die voor Trump stemmen of horden die voor Biden kiezen. Zulke horden radicaliseren wanneer mensen denken dat anderen hen veroordelen of misprijzen, of niet respecteren. De tijden van de horden zijn grimmige tijden want ze zijn vaker de voorbode van erger. In zulke tijden horen we bij alerte politici en media steeds vaker het woord ‘verzoening’. Dat woord is geen toeval. Wanneer de maatschappij in kampen dreigt uiteen te vallen, moeten we iets doen wat wellicht moeilijker is dan een virus bemeesteren of een vaccin ontwikkelen, namelijk met liefde luisteren. Verzoenen vraagt om te beginnen liefde voor hen die je moeilijk of niet kan begrijpen of voor hen die je boos maken – omdat ze massaal gaan winkelen, of geen mondmasker opzetten. Of omgekeerd, omdat ze een orthodoxe lockdown verdedigen. In het algemeen, omdat ze visies verdedigen die haaks staan op de eigen visies. Toch is het wellicht de enige formule om binnen de beschaving te blijven en te voorkomen dat deze samenleving dan wel het virus zal overleven maar niet de door de pandemie veroorzaakte verdeeldheid.
Bij zo’n verzoening is ook een ander element cruciaal: we mogen het relationele niet met het relativerende verwarren. De inzet is de band én precies omdat de band de inzet is, is de inzet automatisch ook de waarheid. Een spreken dat geen waarheidsstreven zou zijn, is als drijfzand voor de sociale band. Niet enkel is het zo dat als we standpunten niet empirisch kunnen aftoetsen, elke uitwisseling een machtsstrijd wordt. Wie het meest overtuigend kan spreken, wordt het meest gehoord. Maar bovendien, als we niet compromisloos voor de waarheid gaan – bijvoorbeeld om makkelijker tot consensus te komen – lopen we het bijkomende gevaar om door die waarheid achterhaald te worden, waarbij de hele band in vraag wordt gesteld. Consensus als criterium voor wetenschap, zoals filosoof Maarten Boudry laatst stelde, is bijzonder delicaat en glibberig. Consensus is zeer onderhevig aan modes en sociale afstemmingsmechanismen, die als sluipwegen de productie van waarheid ondermijnen. Dit is op zijn beurt bijzonder schadelijk, omdat we dan geen onafhankelijke vertrouwensbron hebben waarrond verzoening kan worden georganiseerd. ‘Officiële’ consensus is eigenlijk niet meer dan een ‘tit for tat’-spiegelreactie, als antwoord op een alternatieve consensus, en kan boosheid en dus verdeeldheid verder aanzwengelen.
Nee, verzoening bereiken we niet door aan de ene of andere kant van de verdedigingslinie met de spierballen te rollen. Het vraagt dat we de gespannen evenwichtsoefening volhouden tussen een onvoorwaardelijke liefde voor mensen en een compromisloos waarheidsstreven. Het is een dubbele oefening in bescheidenheid, bescheidenheid jegens anderen en bescheidenheid jegens de waarheid. Of hoe we beschaving niet door geweld maar wel door terughoudendheid kunnen heroveren.