We kunnen nog wat leren van deze generatie jongeren

De Standaard, 30 mei 2024

Ariane Bazan keek naar Eerste keus en zag leerlingen uit het zesde middelbaar die zich volwassener gedroegen dan de politici die ze ondervroegen.

Niets lijkt wenselijker dan vrede en onderlinge samenwerking, en toch blijkt niets moeilijker te bestendigen. “Daarom moet ongecontroleerde intolerantie bij de wortels worden aangepakt door middel van een voortdurende educatie”, raadt Umberto Eco aan in zijn lezing bij het Verdrag van Nijmegen in 2012, die net opnieuw vertaald werd.
Operatie geslaagd, blijkt uit Eerste keus, een nieuw verkiezingsprogramma met Tom Waes en Pieterjan De Smedt. Daarin gaan vooraanstaande politici in gesprek met zesdejaars die op 9 juni voor het eerst zullen stemmen. Quinten, uit de Provinciale Kunsthumaniora Hasselt (Pikoh), confronteert N-VA-voorzitter Bart De Wever met de vraag of samenwerking tussen de Vlaamse en de Franstalige gemeenschap mogelijk is. Achteraf weet hij: “Ik snap dat ook De Wever het beste wil voor het land en dat hij gewoon heel andere ideeën heeft.” Als Bie, een trans jongeman uit het Atheneum van Zottegem, zijn onenigheid met Vlaams Belang-voorzitter Tom Van Grieken te kennen geeft, begint hij zijn uitleg met “no hate”. Wat een begrip voor verschil tonen die jongeren, en wat een contrast met bijvoorbeeld de jaren 80, toen politieke verschillen steevast op boegeroep en uitsluiting werd onthaald.
Een leerkracht Nederlands uit het Pikoh spreekt dan ook zijn vertrouwen uit in deze generatie, en misschien ziet hij het goed. Nieuw is hoe jongeren vlot kunnen schakelen tussen twee soorten denken. De onlangs overleden Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman maakt een onderscheid tussen S1- en S2-denkprocessen en haalde daarvoor de mosterd bij Sigmund Freud met zijn primaire en secundaire processen. Primaire processen (S1) zijn associatieve, snelle denkbewegingen waarmee we oppervlakkige verbanden leggen. Rijmpjes onthouden we via S1, maar S1 verklaart ook haast al onze denkfouten, zoals wanneer we de boodschapper aanvallen, en niet zijn boodschap. Toch is S1 ook de cruisecontrol die maakt dat we bij de staart van de kat de hele kat erbij denken. Bij de eerste woorden van een banale uitspraak vullen we aan met de rest van de zin.
Secundaire processen (S2) zijn trager. Het zijn de ‘redelijke’ processen, die de informatie ontcijferen op basis van de context. Meestal hangen we de naïeve overtuiging aan dat tijdens de opvoeding S1 geleidelijk door S2 vervangen wordt. Onderzoek leert evenwel dat S1 en S2 ons leven lang in een dynamisch evenwicht bestaan. Het primaire procesdenken wordt ook in sommige omstandigheden sterker, bijvoorbeeld als mensen aangeven dat ze heel angstig zijn.
Belangrijk is dat er geen types van mensen zijn – S1 of S2 – en er ook geen manier is om het genuanceerde denken (S2) eens en voorgoed te verzekeren. Het redelijkheidsideaal van de verlichting is nooit verworven. Wie een affectieve bluts heeft gekregen, kan op die pijnpunten S1-snelkoppelingen ontwikkelen en haatdragend of intolerant worden, en dat geldt voor zowat iedereen. De moral highground van niet-uitsluiting kan bij iedereen moerassig worden.
Als leerlinge An-Sofie de vraag stelt wat iedere politicus waardeert bij de andere, nodigt ze hen dus uit na te denken voorbij hun affectieve kortsluitingen en hun S1-gedachten te overwinnen. Politici die ideologisch sterk van elkaar verschillen, slagen erin om iets positiefs over elkaar te zeggen. Ik herinner me hoe ik als studente in de jaren 90 met de vraag worstelde of ik “Vlaams Blokkers” wel een hand kon geven. Het verschil lijkt niet langer zo bedreigend en staat zelfs een vorm van liefde niet in de weg – zonder het vermogen op morele verontwaardiging te vertroebelen. “Waarom moeten nieuwkomers automatisch een bepaald type job toegewezen krijgen?”, is Lyssa’s kritische reactie op De Wever, bijvoorbeeld.
Identitair of emotioneel gedragen standpunten, inclusief die met een hoog S1-gehalte, kunnen op respect, inleving en begrip rekenen, zonder dat deze jongeren erin worden meegezogen of erdoor uit hun lood worden geslagen. En dat is maar goed ook, want campagneslogans, versterkt door sociale media, zijn met hun emotionele en identitaire tonaliteiten echte S1-machinerieën. Dat heeft allerlei kwalijke gevolgen, maar misschien leidt het er ook toe dat mensen, in het bijzonder jongeren, sterker op het eigen oordeel gaan vertrouwen en kritischer worden.
Het grote doembeeld dat pedagogen en ethici van oudsher ophangen, het onredelijke denken – via S1 verantwoordelijk voor alle emotionele shortcuts –blijkt onuitroeibaar te zijn. Maar kijk, hier duikt een verrassende generatie op die niet langer op “uitroeien” uit is, maar tolerant is voor S1 zonder het genuanceerde denken van S2 uit het oog te verliezen. We kunnen veel van die jongeren leren.

Les jeunes gens de cette génération nous enseignent quelque chose de précieux

Un programme de la télévision Flamande Belge (la VRT), “Eerste keus” (“Premier Choix”) propose à de jeunes Flamands, qui iront voter pour la première fois de rencontrer, avec leur classe dans le cadre de leur école, des politiciens de premier rang, auxquels ils peuvent poser librement leurs questions. Les jeunes gens sont en même directs dans la confrontation ét respectueux, voire accueillant et bienveillant, par rapport aux différences, mêmes grandes ou extrêmes. Je propose qu’ils arrivent à manier en parallèle et sans opposition une pensée de type processus primaires (ou S1 de Kahneman) et secondaire (ou S2), c’est à dire, qu’ils accueillent une pensée émotionnelle et identitaire, sans débrancher une réflexion critique et nuancée.

Onderschat de veerkracht van de mens niet

De Standaard, 25 april 2024

Een debat over leven en dood begint bij ethische principes en niet bij cijfers, schrijft Ariane Bazan. Beschaving is niet wat je je kunt veroorloven, maar waarzonder je niet verder kunt.

De voorzitter van de Christe­lijke Mutualiteiten (CM), Luc Van Gorp, pleit voor een wet die euthanasie mogelijk maakt bij levensmoeheid, als antwoord op twee problemen: toenemende suïcidaliteit bij ouderen en de binnenkort onbetaalbare ouderenzorg. In dat schijnbaar logische voorstel zitten meerdere denkfouten.

Een eerste verwarring is het idee dat hulp bij zelfdoding leidt tot minder zelfdoding zonder hulp. De mensen die uit het leven stappen zonder anderen daarbij te betrekken zijn niet dezelfde mensen als zij die hulp bij zelfdoding wensen. Empirische gegevens uit onder meer de Amerikaanse staat Oregon, waar hulp bij zelfdoding wettelijk al langer kan, tonen geen daling in de zelfdodingscijfers, maar zelfs een lichte stijging: waar zelfdoding kan met hulp, is er ook een neiging tot meer – niet minder – zelfdoding zonder hulp.

Een wet of een regel is niet alleen een antwoord op een maatschappelijk probleem, maar kan ook voorbij dat probleem andere effecten uitlokken. Een fundamentelere denkfout in Van Gorps voorstel is het idee dat zo’n wet een cruciale oplossing kan bieden voor mensen die vinden zijn dat ze klaar zijn met het leven, en dat die wet alle anderen ongemoeid laat. Misschien zijn er wel degelijk mensen die (bijna) onverdeeld overtuigd zijn van een voltooid ­leven, maar de meesten onder ons worstelen levenslang met de zijns- en zinsvragen. “Mag ik er zijn?”, is een van de grote levenspijnen waarover mensen getuigen tijdens psychologische consultaties. Wie voldoende onvoorwaardelijke liefde meekreeg, staat veelal sterk: “Mijn plaats te midden van de anderen is verzekerd en ik moet daar niets voor terugdoen.”

Toch is die vraag voor velen een tere plek. Sommigen zoeken een leven lang bevestiging, niet zelden door zich dienstbaar op te stellen. Zonder een voldoende dik ‘kussentje in de rug’ van onvoorwaardelijke liefde, hebben we minder verweer tegen plagende, neerhalende gedachten, die bij velen opkomen als die vraag – “mag ik er zijn?” – opborrelt. Als we ouder worden, meer hulp nodig hebben en minder kunnen teruggeven, staan we snel trillend te midden van de anderen. Alleen al het bestaan van een euthanasiewet bij voltooid leven kan mensen die niet spontaan aan euthanasie dachten, naar een keuze voor de dood doen overhellen. Is dat een aanvaardbare prijs als neveneffect van een euthanasiewet bij levensmoeheid?

Van Gorp hamert op de cijfers van de toenemende vergrijzing en de “onmogelijke” opdracht om in de toekomst goede zorgen te verzekeren voor die bevolkingslaag. “Vandaaruit begint het debat”, zegt hij en dat is misschien wel zijn grootste denkfout. Hoewel hij die redenering herhaalt, fluit niemand hem daarop terug. Dat is verbijsterend, want een debat over leven en dood begint uiteraard bij ethische principes en niet bij cijfers. Beschaving is niet wat je je kunt veroorloven, maar waarzonder je niet verder kunt. Van Gorp had ook kunnen zeggen: “Onze indicatoren tonen aan dat dit een pittige klus wordt, maar het spreekt vanzelf dat we als maatschappij voor ieder van ons, ook wanneer we ziek, zwak of oud zijn, zullen blijven zorgen.”

Uiteraard houdt dat in dat we er de onzekerheid bijnemen over hoe we dat zullen klaarspelen, maar die onzekerheid is niet meer dan het principe zelf van het leven. Hoewel we in deze moderne tijden soms de illusie van controle hebben ontwikkeld, hebben we nooit de garantie dat de dingen goedkomen. De komende dertig jaar staan ons tal van maatschappelijke uitdagingen te wachten – met mogelijk ook nieuwe hulpmiddelen, zowel inzake werkkrachten als technologie – en alleen al om die reden kunnen we de cijfers van vandaag niet zomaar op 2054 toepassen.

Maar op een fundamenteler niveau toont de geschiedenis herhaaldelijk de grote veerkracht van mensen om aangepaste zorgvormen te bedenken, ook in de ergste crisissituaties. Het zijn die heldhaftige verhalen van mensen die in hachelijke situaties tegen wil en dank de beschavingswaarden hebben hooggehouden, die we graag herdenken, soms ook als tegenwicht voor sombere episodes uit onze geschiedenis. Het zijn die creatieve aanpassingen die de veerkracht van de volgende generaties voeden.

Het was dus nogal iets, dat voorstel van Van Gorp, een voorstel – om in de beenhouwersmetaforen te blijven – als een hakbijl, die, voorbij het probleem van de ouderenzorg, ook een ferme knauw geeft aan het vertrouwen in de beschaving en aan het geloof in de menselijke veerkracht.


Ne sous-estimons pas la résilience humaine

Le président des mutualités chrétiennes Flamandes propose une loi sur l’euthanasie pour les personnes ‘fatiguées de vivre’ ou ‘ayant une vie complétée’ face à l’augmentation des comportement suicidaires chez les plus âgées, et l’impasse du coût de la prise en charge de cette tranche d’âge dans les décennies à venir. Ariane Bazan pointe trois erreurs dans son raisonnement. D’abord, de façon générale, suicide assisté et suicide non-assisté ne se recouvrent pas, les personnes ayant recours à l’un ou à l’autre ne sont pas les mêmes. Ensuite, une loi proposant une euthanasie pour ‘vie accomplie’ peut générer de l’insécurité sur le droit à la vie chez certains, et spécifiquement dans une population âgée qui peut se sentir ‘coupable de vivre’, puisque nécessitant beaucoup de soin et ayant le sentiment d’avoir peu à proposer en retour. Finalement, M. Van Gorp insiste que ce sont les chiffres prévisionnels qui sont le point de départ d’une telle réflexion. Or, les questions de vie et de mort se discutent à partir de principes éthiques et non à partir de chiffres.

Over liefde valt niet te onderhandelen

Over liefde valt niet te onderhandelen. De Standaard, 13 maart 2024.

Liefde is altijd onvoorwaardelijk en dus arbitrair, schrijft Ariane Bazan. Dat valt in deze wetenschappelijke tijden moeilijk te bevatten, maar toch: zonder liefde kunnen we onszelf na een tegenslag nooit meer bijeenrapen.

Liefdesverdriet is universeel, maar sommigen kruipen niet veel later weer overeind, terwijl anderen er jaren over doen. Het verschil is ‘het kussentje in de rug’ dat we al dan niet vroeg meekregen, de vaak onbewuste gedachte: “Zelfs al moet die persoon me niet, mama/papa houdt van me. Zo twijfel ik er niet aan dat ik iemand ben om van te houden.” Dankzij dat basisvertrouwen vallen we niet helemaal om wanneer de ontgoocheling in de liefde ons omverblaast.
Ook de angst om voor het eerst op eigen krachten uit te vliegen is universeel: wanneer we, zonder het ouderlijke vangnet, stappen zetten die we nooit eerder ondernamen, kunnen we pas echt op onze bek gaan. Het enige wat we voor die eerste duizelingwekkende sprong hebben, is het blinde geloof dat we kunnen vliegen, want bewijs uit een vorige ervaring ontbreekt. Ook dat vertrouwen hebben we dankzij de eerste anderen: “Het zal me lukken, want mama/papa zijn ervan overtuigd dat ik het kan.” Het is dus pas de onvoorwaardelijke ‘kasvoorraad’ die we van onze eerste zorgverstrekkers meekregen, die we later kunnen aanspreken om te leven en lief te hebben.
We hebben de wijsheid grotendeels door wetenschap vervangen, maar aan een wetenschap van de liefde zijn we nog niet toe. Daarom lijken de principes van de liefde contra-intuïtief en onredelijk. Zo is het essentieel dat de kasvoorraad aan vertrouwen onvoorwaardelijk is. Als we over liefde gaan onderhandelen – een ouder die zegt “ik hou van je, maar zorg dat je goede resultaten behaalt” – dan heeft de ander geen vaste grond meer onder de voeten. Zelfs een kind met een uitmuntend rapport zal met de angst zitten: “Als ik morgen minder presteer, houden ze dan niet meer van me?” Op zo’n wankele fundering kun je niet bouwen. Nog onthutsender is dat de liefde, precies omdat ze onvoorwaardelijkheid vraagt, altijd arbitrair is, zonder criteria. Als we over niets mogen onderhandelen, dan hebben we alleen onszelf, maar dat moet volstaan: ouders vinden hun kind het knapst, gewoon omdat het hun kind is, en zo hoort het ook.“Parce que c’était lui, parce que c’était moi”, zo verklaart Montaigne zijn vriendschap voor Etienne de La Boétie.
Onvoorwaardelijkheid, gestoeld op een arbitraire beslissing, zo functioneert de liefde. Dat spoort niet met onze wetenschappelijke wereld, waarin we ook voor de politiek het waardevolle systeem van checks-and-balances hanteren. Maar de huidige geopolitieke context dwingt politici vaker om ook zonder garanties te beslissen. Toen Angela Merkel ‘Wir schaffen das’ zei, kon ze dat niet zeker weten, maar die woorden hadden op zich wel een massaal ­mobiliserend effect. Doorheen de geschiedenis hebben mensen een dunne lijn bewandeld tussen paniek en respijt. Paniek is een angst zonder duidelijk object, geworteld in de eerste catastrofale vrees dat je levensbronnen bedreigd zijn – je eten, je eerste zorgfiguur, je speelgoed. Wanneer een kind zo’n dreiging voelt, kijkt het naar zijn moeder om te zien hoe zij reageert. Haar kalme, sussende houding doet de angst wegebben en het kind wordt weer rustig.
Hersenonderzoek heeft nu aangetoond dat wanneer we niets doen, er een soort standaard breinnetwerk actief is, dat bij een specifiek alarm oplost en opgaat in een ander breinnetwerk dat zich op de gekozen handeling toelegt. Dat rustnetwerk, of ‘default mode’-netwerk, heet in de psychoanalyse ‘het Ik’. Het lijkt inderdaad een ‘kasvoorraad’ te zijn, gezien we uit dat netwerk putten, het daarbij even verliezen, en het daarna weer bij elkaar rapen. Pull yourself together, zoals dat toepasselijk in het Engels klinkt. Freud legt uit hoe we de vertakkingen van het Ik, en dus wellicht de neuronale stevigheid van het rustnetwerk, voeden dankzij geruststellende bevredigingservaringen – met andere woorden, dankzij liefde.
Kathleen Van Brempt (Vooruit) had het onlangs in De afspraak op vrijdag op VRT Canvas aan de stok met de sceptische Ivan de Vadder, die vond dat ze “te optimistisch” was. Van Brempt zei, net als Merkel, dat ze gelooft dat mensen de uitdagingen aankunnen, zoals is gebleken uit snelle gedragsveranderingen tijdens de coronacrisis en de daaropvolgende energiecrisis. Niet alleen klopt dat, Van Brempt deed ook precies wat ons helpt om ons bij elkaar te rapen: vertrouwen schenken. Dat principe is niet louter wijsheid, het krijgt in de toekomst wellicht ook wetenschappelijke grond, zodat een psychologie van de liefde eindelijk aan het ethisch-politieke denken zal kunnen bijdragen. “Optimism is a moral duty” is niet het naïeve idee dat alles wel goed komt, maar wel het inzicht dat onze veerkracht om uitdagingen aan te gaan, groter wordt naarmate we in die kracht vertrouwen.

L’amour n’est pas négociable
L’amour est toujours inconditionnel et donc arbitraire, et ceci ne relève pas simplement d’une mystique ou d’un art de vivre, mais bientôt également de la science. En effet, c’est la confiance qui permet au ‘Moi’ ou au ‘Réseau du Mode par défaut’ de se regrouper, ce réservoir dans lequel puise le sujet pour agir intentionnellement. En d’autres termes, ce crédit d’amour permet que nous nous rassemblions pour mieux nous relever. « L’optimisme est un devoir moral » n’est pas l’idée naïve que tout ira bien, mais l’idée que notre force de frappe face aux défis augmente à mesure que nous faisons confiance à cette force.

Achter termen als ‘collaboratie’ en ‘misbruik’ schuilt het verhaal van nog ne mens, en nog ne mens, en nog ne mens

Als we ons met oud zeer bezighouden, moeten we het zeer precies benoemen, schrijft Ariane Bazan. Anders wordt het trauma wel geschiedenis, maar geen verleden.

Donderdag 12 oktober 2023 om 03:00

https://www.standaard.be/cnt/dmf20231011_96138202

‘Alles ongedaan maken tot aan mijn twaalfde – of heel mijn leven, alles ongedaan maken tot aan het begin. Met een schone lei beginnen. Ik moet boeten voor andermans zonden, voor de zonden van mijn grootvader.’

Ik ontmoet Hervé in het psychiatrisch centrum. Zijn grootvader kwam verwoest uit de loopgraven, maakte kinderen, misbruikte zijn dochters en schoot zichzelf tenslotte een kogel door het hoofd. Hervé had tot zijn vijftiende met zijn ouders en zijn halfbroer ­samengewoond. Die halfbroer was de zoon van zijn moeder en haar vader – zijn grootvader, dus.

Hervé zelf kreeg geregeld gewelddadige gedachten en om die af te wenden hielp het hem om op dat ogenblik achteruit te lopen. Hij dwong zo ook anderen om achteruit te lopen. Toen hij op een dag een koe uit de stal verwoed achteruit duwde, werd hij voor het eerst in het psychiatrisch centrum opgenomen.

Seksueel trauma was een terugkerend thema in de gesprekken met die patiënten, vaak historisch verbonden met de oorlogen of met de kerk, niet zelden met beide. Het toeval wil dat beide thema’s zich de laatste weken op de Vlaamse televisie opdringen met de documentairereeks Godvergeten en met de verfilming van Wil, de roman van Jeroen Olyslaegers.

Wat had je zelf gedaan in die situatie? Dat zou de centrale vraag van de film zijn, ook al omdat we weer voor grote dilemma’s staan, en dat onze toekomst van onze keuzes afhangt. We denken dat we, als het echt moet, grotendeels redelijk kunnen zijn. Dat we voorrang kunnen geven aan oplossingsgericht denken en in het licht van groot onheil, zoals een klimaatcrisis, klaarstaan om die oplossingen in groten getale aan te hangen – al was het maar omdat het onze enige uitweg is. Als de wereld in brand staat, is het niet het moment om oude koeien uit de gracht te halen en zelf een vuurtje op te poken over die oude kwesties.

Maar dat is nu net wat mensen wél doen. We moeten een planetair klimaatbeleid uitbouwen en het brandt tussen Rusland en Oekraïne, tussen Hamas en Israël, en op nog veel andere plaatsen. We moeten met België klimaatdoelstellingen en sociale doelstellingen halen, maar we kibbelen over wie de eerste of de echte racist is. Zelfs met vuurhaarden vlak bij huis, kunnen we het niet laten om een boompje op te zetten over ‘oude kwesties’.

Wie die tegenstelling wil vatten, moet zowel de film als de documentairereeks bekijken. ‘Achteraf werd er zo veel mogelijk gezwegen en is de dag van gisteren direct geschiedenis’, is de slotsom van Wil. Mensen die rauw geweld hebben gezien, aangedaan of ondergaan, ‘moeten voort met hun levens’. Ze stappen uit de ene scène van de geschiedenis zonder meer naar de volgende, omdat ze op dat ogenblik ‘niet anders kunnen’.

Dat is nu net de manier waarop een trauma geschiedenis wordt zonder ver-leden te worden. Er viel aan die oerscènes eigenlijk nog veel te lijden, maar de pijnlijke verwerking wordt uitgesteld, naar later in het leven, of naar latere generaties. Die worden dan ‘het kind van de rekening’, de rekening van Olyslaegers levensvraag, die ook die is van Hervé, die van de Godvergeten-kinderen en van zo veel andere mensen: wiens rekening betaal ik en tegen welke prijs?

Om die rekening te verzachten is ‘het enige tegengif waarheidsspreken’, zoals psychiater Peter Adriaenssens het stelt: ‘We moeten de dingen durven te benoemen.’ Hij doelt op de feiten van kindermisbruik in de kerk, maar dat geldt voor elk onverwerkt trauma dat ons bij de lurven grijpt wanneer we aan de toekomst willen bouwen. Het komt eropaan de dingen te zeggen zoals ze waren, de beelden te hernemen waar we ze gelaten hadden, toen wij, of onze voorgangers, die scène uitstapten.

Dát is de eigenlijke inzet van de film, niet zozeer de gewetensvraag. Net zoals ‘misbruik’ is ‘collaboratie’ een term die veel ladingen kan dekken, daarom is het van wezenlijk belang de dingen prozaïsch te benoemen. In die zin is de film gedurfder dan de documentaire, ook omdat de fictievorm dat mogelijk maakt. De ongewoon harde beelden maken mee dat de film in zijn opzet slaagt: veel burgers waren schuldig aan collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog, heel wat kerklieden hebben (kleine) kinderen verkracht en misbruikt, maar waarheidsspreken betekent dat we die termen getrouw aan de feiten ontvouwen. Zoals Rik Devillé zou zeggen, we moeten het verhaal vertellen van ‘nog ne mens’ en ‘nog ne mens’ en ‘nog ne mens’. We hebben dringendere dingen te regelen dan dat, en net daarom moeten we ons heel precies met oud zeer bezighouden.

Résumé en Français : A coté du documentaire ‘Les abandonnés de Dieu’, un film Belge ‘Wil’ d’après le roman éponyme de l’auteur Flamand Jeroen Olyslaeghers fait en ce moment un tabac. Ce film raconte l’histoire de Wilfried, un agent de police à Anvers pendant la seconde guerre mondiale et censé aider les nazis à faire des razzias pour embarquer les Juifs. Wil, de son petit nom, est déchiré entre pressions du côté de la collaboration et du côté de la résistance et est témoin de violences sans nom. En fin du film, il dit: ‘Et après nous nous sommes tous tus, et hier est rentré directement dans l’histoire’. Quand nous passons d’une scène à l’autre, la scène d’hier rentre dans l’histoire sans devenir du passé. Pour que l’histoire passe, il s’agit de raconter les faits de façon prosaïque et précise, et ce histoire par histoire. 

Geweld dat generaties lang blijft nazinderen

Als we ons met oud zeer bezighouden, moeten we het zeer precies benoemen, schrijft Ariane Bazan. Anders wordt het trauma wel geschiedenis, maar geen verleden.

Donderdag 12 oktober 2023 om 03:00

https://www.standaard.be/cnt/dmf20231011_96138202

Rauwe levens spreken de rauwe waarheid, zo blijkt ook uit de documentaire Godvergeten. Ik bleef verstomd achter, door wat gezegd wordt, maar ook door de afgebroken zinnen. Verschillende elementen geven de documentaire een belangrijke, potentieel heilzame waarde. Enerzijds hebben de makers het gewicht van het woord van de getuigen streng bewaakt en niet geprobeerd een vorm van antwoord – laat staan van ‘wederwoord’ te bieden. Door de eenvoud van dat concept nemen die getuigenissen alle mentale ruimte in en kunnen de woorden, en de stiltes, nagalmen. Pas daardoor nemen we soms de maat van de gruwel. Anderzijds hebben de reportagemakers, de juridische anonimiteitsplicht respecterend, toch verregaand geprobeerd de feiten in hun prozaïsche feitelijkheid vast te leggen, met datum, plaatsnaam, profielen en foto’s.

Psychisch trauma ontstaat wanneer ons iets overkomt dat we niet kunnen vatten, omdat we te jong zijn of te weinig voorbereid, of omdat de gebeurtenissen te ontzettend zijn. Trauma heeft als gevolg dat de situatie niet voorbijgaat, geen ver-leden wordt. We blijven lijden. Maar door de feiten op te tekenen, de gebeurtenissen op een tijdlijn vast te pinnen, proberen de makers en getuigen ze te bemeesteren.

De documentaire opent een denkruimte over waar het hier precies om gaat. Zo kan het onbelangrijk lijken precies te weten hoe erg iets was, zolang we maar beseffen dat het zeer erg was. Dat klopt niet. Als we alle geweld op een hoopje gooien, voegen we eigenlijk geweld toe aan geweld.

Ik bleef haken aan twee schokkende elementen: de wreedheid die we moeten vermoeden wanneer het seksuele misbruik leidt tot verminking van de geslachtsdelen, en de verregaande gevoelens van straffeloosheid en almacht, als een verkrachting zich bijvoorbeeld op een altaar afspeelt.

Er bestaan gradaties van geweld en die gaan van de ‘banale’ situatie waarbij we een ander aandoen wat we zelf niet wensen te ondergaan, tot het overtreden van de beschavingswaarden. Die fundamentele waarden zijn het broederschap en het incestverbod. Het eerste houdt in dat we de medemens als doel en niet als middel behandelen: dat is het horizontale draagvlak. Het tweede is het respect voor de opeenvolging van de generaties. Dat respect voor de historische volgorde vormt de verticale as. Zelfs binnen het overtreden van die grondende waarden bestaan er nog verschillende trappen van geweld. Zo mocht een meester een slaaf door zijn gebruik ook in lijf en leden vernietigen. Toen slavernij voor lijfeigenschap werd ingeruild, was er een soort ‘vooruitgang’: een heer mocht zijn lijfeigene wel ‘gebruiken’ maar niet langer straffeloos verminken of kwetsen. In Godvergeten leggen de getuigen sober en efficiënt bloot hoe het seksuele misbruik op de meest rauwe manier die funderende beschavingsgeboden overtreedt.

De geschiedenis van de mensheid is doortrokken van zware beschavingstrauma’s, soms min of meer afgebakend in tijd en ruimte, soms als systeem, zoals bij slavernij of kolonisering. Dat soort trauma ondergaat een massale schaalvergroting. Niet alleen de betrokkenen zelf, in het oog van die storm, maar ook familie, vrienden, zwijgende toekijkers, mogelijke medeplichtigen en onwetende omstanders worden, in het bijzonder in een achterafbeweging, mee getekend door de aanhoorde, geziene of vermoede gruwel. Net zoals kinderen, kleinkinderen of mensen die niet mee op de scène stonden, getekend worden door afgeleide, geconstrueerde of ingebeelde gruwel. Allemaal moeten ze afrekenen met onmacht en schuldgevoelens.

Zoals dat soort geweld de beschaving aantast, tast het ook de gemeenschap aan. De schaalvergroting heeft niet alleen met de omgeving van de getroffenen te maken: zwaar geweld heeft als schadelijke eigenschap dat het generaties lang kan blijven sluimeren en terugkaatsen. In onze praktijken zien we mensen die het leed dat hun ouders werd aangedaan, willen verwerken zodat ze het niet aan hun kinderen zouden doorgeven. Soms voelt het alsof hun levens verteerd worden door dat psychische werk. Sommigen geven letterlijk te kennen dat ze zich die rol toekennen: een filter- of buffergeneratie te vormen, zodat het bij hen kan stoppen. Al wat we dan kunnen is luisteren en proberen de schade te beperken, zodat we secundaire traumatisering kunnen indammen.

Maar opkuisen? Dat is voor onze generatie, en misschien voor de eerstvolgende, niet aan de orde.

Résumé en Français : Un documentaire en 4 épisodes, ‘Les abandonnés de Dieu’, secoue en ce moment la Belgique. Les victimes de violence pédosexuelle dans les institutions sous l’autorité de l’église y témoignent. Cette violence s’est maintenue des années 50 au années 90 avec la complaisance apparente des autorités de l’église. Dans cette carte blanche je plaide pour une distinction entre les formes de violence. Certains actes particulièrement graves (sur de très jeunes enfants) ne sont pas simple transgression mais transgression des valeurs fondatrices de la civilisation. Elles touchent les victimes directes, mais aussi la communauté humaine en soi, et rebondissent à travers les générations.

Alleen verschil kan tot liefde leiden

25/05/2023 om 03:00
https://www.standaard.be/cnt/dmf20230524_96317708?fbclid=IwAR27PhIdxdYrXxex2ZlNKni2hHdVZxRt2TdpyCfmlJDkzCms7gs5OztqREI

Een piemel of geen piemel, dat is de vraag. Of dat wás de vraag, dat ‘verschil’ is niet langer in steen gebeiteld. Dat heeft gevolgen.

‘Plassen met piemel’ naar rechts en ‘zonder piemel’ naar links – ­onlangs ging een foto aan de toiletten van een Nederlands etablissement rond op sociale media. Het laconieke bijschrift luidde: ‘Restaurant maakt einde aan genderdiscussie.’ Om niemand te beledigen onthoudt het restaurant zich van elke ­indeling op basis van identiteit en valt het terug op het meest prozaïsche onderscheid, met of zonder piemel. Waarom is zo’n binaire opdeling moeilijk weg te denken?
We vergissen ons met betrekking tot de piemel. Dat ‘met of zonder’ is om te beginnen niet een seksueel gegeven. Het heeft niks met de identiteit jongen/meisje te maken. Uiteraard zal het in de latere ontwikkeling die identiteitsvraag wel oproepen – hoewel niet op een lineaire manier – maar dat is niet waar het in deze denkoefening over gaat. Het ‘met-of-zonder-gegeven’ is in de ontwikkeling van mensen eerst een radicale confrontatie met ­verschil.
Recente technieken tonen dat kinderen al op heel jonge leeftijd handelingen willen uitvoeren die ze nog niet kunnen, omdat hun spiersystemen, en de bezenuwing ­ervan, nog niet voldoende ontwikkeld zijn. ­Kinderen willen grijpen, stappen, babbelen, nog voor ze er de fysieke mogelijkheid toe hebben. Elke ­nieuwe groeistap is een overwinning. Het kind jubelt als het eindelijk het hoofd kan omdraaien om te zien wat er achter zijn rug gebeurt, als het kan krabben waar het jeukt, zelf naar de koelkast kan stappen, of eindelijk ook een zegje kan doen. Bij het opgroeien hebben we één verrukkelijke ervaring: alles wat we nog niet kunnen, zullen we ooit kunnen en ­alles ligt uiteindelijk in ons bereik.
Rond het vijfde levensjaar komen er ernstige dompers op die vreugde. Zo beseffen we dat, in tegenstelling tot de aartsvijand van Road Runner, Wile E. Coyote uit Looney tunes, wie dood gaat, niet weer tot leven kan komen. Ook zullen we nooit de ouders worden van onze ouders. Wat vroeger was, komt niet meer terug. De derde knauw heeft met de piemel te maken: meisjes zullen geen piemels ontwikkelen, ook niet als ze groter worden, en bij jongens zal hij niet afvallen.
Tot nog toe was ook ‘al dan niet een ­piemel hebben’ een even onomkeerbaar verschil als de eerste twee. Het is de duidelijkste van de drie: we beseffen dat ‘die mens een mens is zoals ik, en tegelijk ook wezenlijk anders is dan ik’. In het opgroeien was ieder verschil eerst relatief en een kwestie van tijd of gradatie, maar voor de onomkeerbare ‘knauwen’ geldt dat niet, en dat inzicht belast het kind met ­psychisch werk: wat te doen met het besef van dat verschil?
Wat een kind vaak doet als blijkt dat het niet (zoals) de ander kan zijn, is zich precies met dat verschil inlaten. Kort gezegd: wat het niet kan zijn, wil het hebben, en vaak met enige fascinatie. Aristophanes geeft in Het banket van Plato een prachtig antwoord op wat alleen het verschil vermag: het ontbiedt de liefde. Empathie is niet hetzelfde als liefde. Als we ons herkennen in anderen, is het een auto­matisme om ons te spiegelen. Als de ­andere een kloon is van onszelf, is empathie niet meer dan een kloon van zelfliefde. Liefde kan pas verschijnen als de spiegeling stopt. In het ­volwassen leven is dat typisch het moment waarop dit pijnlijke zinnetje valt: ‘Die ander (of zijn gedrag) begrijp ik echt niet’, meestal gevolgd door een stilte – of door een veroordeling. Spiegelneuronen stoppen met spiegelen en niets in de eigen beleving kan zich verhouden tot wat de ander doet, zegt of is. En pas in die stilte, in die kloof, is er plaats voor liefde.
Als spiegeling niets vermag, zijn we overgeleverd aan de enige mogelijkheid die blijft: de ander vertrouwen ­schenken. Ook al kan ik er niet inkomen, ik omhels en ontvang die ander. Wanneer het verschil zo scherp afgetekend is, dat we het niet begrijpen, kan alleen liefde nog verbinding scheppen. Omdat we zo anders gesneden werden, zegt Aristophanes, komen we er zonder liefde niet. Kortom, als het ‘met of zonder piemel’-denken niet uitgeroeid raakt, dan is het misschien omdat het pas via dat verschil is, dat we in de ontwikkeling voor het eerst de wezenlijk andere ontmoeten en zo de openheid kunnen ontwikkelen om die ander, in al zijn variaties, met inbegrip van alle gender- en seksuele schakeringen, in het verdere leven intiem te ontvangen, en graag te zien

Een sleutel voor meer sociaal welzijn

27.04.23, Bazan, A., Een sleutel voor meer sociaal welzijn. Column. De Standaard.
résumé en Français en bas du texte en Néerlandais

Medische diagnoses geven mensen soms een nieuwe sociale identiteit, maar dat leidt niet altijd tot een effectieve behandeling, stelt Ariane Bazan. Haar advies? Verkwikkend en niet verklittend werken. Dat komt ook kwetsbare groepen ten goede.
Je kunt mentale ontreddering ­volgens twee ­tegengestelde ­logica’s ­behandelen. De eerste is grotendeels medisch: er bestaat een groot aantal diagnoses, zoals depressie, burn-out, borderline, hoogsensitiviteit … We veronderstellen dat elk van die ziektes het gevolg is van een eigen oorzakelijke ­keten en we willen de defecten binnen die keten detecteren en herstellen. Hulpverleners worden gevormd om de ziektebeelden te herkennen en een juiste ­diagnose te stellen. Mensen zijn vaak blij met een diagnose, want zo komt er (eindelijk) ­erkenning voor hun ontreddering. Maar met die diagnose komt vaak ook teleurstelling, want veelal ­ontbreekt een ­specifieke behandeling die tot opluchting leidt.
Dat is niet het enige ­probleem. Het ziektebeeld, de naam van de diagnose, wordt vaak als een identiteit gehanteerd: ik ben depressief, borderliner, hoogsensitief … Omdat er andere mensen zijn met dezelfde identiteit, kunnen we samen groepen vormen die ­eisen stellen, zoals aangepaste hulpverlening, scholing of werkomstandig­heden. De diagnostische aanpak heeft een soort veralgemeend verstijvings­effect, waarbij we gaan samen­klitten ter hoogte van diagnoses, die we als sociale identi­teiten aanwenden.
Dat samenklitten biedt voordelen: het sociale ­gewicht van de groep verdubbelt met de medische rechtvaar­diging voor de ­specifieke hulp en aandacht. Maar voor de overheid kan dat soort logica alleen maar tot het failliet leiden. ­Zodra je die weg inslaat, word je genadeloos verlieslatend: er kan om budgettaire ­redenen nooit ­genoeg geld vrijgemaakt worden voor die sociale aanpassingen, waardoor je onvermij­delijk de boeman bent die de kwetsbaarste mensen in de kou laat.
In de andere aanpak is het basisidee dat mentale ontreddering niet zozeer met speci­fieke defecten of afwijkingen te maken heeft, maar dat alle mensen eigenlijk dezelfde pijn hebben. Ze ­uiten die wel op zeer verschillende ­manieren, maar het onbehagen komt misschien neer op twee soorten van pijn. De eerste is die van het zijn: wie ben ik, waarom ben ik hier, wat is mijn plaats op deze wereld, hoe zien anderen mij? Mag ik hier zijn, heb ik het recht om plaats in te ­nemen, om kwaad of triest te zijn? Doet wie ik ben er uiteindelijk toe?
De andere pijn is die van de liefde: ben ik iemand om van te houden, zal er ooit iemand van me houden van wie ik ook hou? Hoe verschijn ik in de liefde? Zien de anderen me graag en waarom (niet)? Wie zijn de mensen van wie ik hou en waarom? Als we het gevoel ­hebben dat we steeds opnieuw dezelfde mislukkingen op­lopen en dat dat lot onafwendbaar lijkt, voelen we ons ­verpletterd. We worden hopeloos en denken soms dat ‘dit leven niet voor ons ­gemaakt is’.
Als een hulpverlener geduldig luistert en verstandig doorvraagt naar het fijnkorrelige verhaal, verschijnen snel logische verbanden tussen vroeger en nu. ‘Mijn ouders hadden het heel kwaad samen, en toen ze uiteengingen, heb ik me erg schuldig gevoeld. Om aan de folterende schuldgevoelens te ­ontsnappen ben ik me in verslavingen of spelletjes of ­gewoon in mezelf gaan opsluiten. Mensen denken dat ik niets kan voelen, maar eigenlijk voel ik te veel.’ of: ‘Mijn ­ouders waren koud of kwetsend tegen me en in een ­poging om de oude vloek te ontkrachten, val ik nu steeds weer op kwetsende partners, en kom ik er nog erger uit.’
Fijnmazig luisteren geeft mensen zicht op de koers van hun leven, waardoor ze automatisch actiever aan het stuur gaan staan. Niet zelden is het een werk van lange adem, waarbij de hulpverlener de verzekering geeft van zijn onvoorwaardelijke aanwezigheid en ­investering. Maar het heeft wel het ­tegenovergestelde effect van de ­medische aanpak: mensen zien hun ­eigen rol in wat hen overkomt en worden weerbaarder. Dat werkt emanci­perend en maakt ons ook beschikbaarder en ­attenter voor partners, kinderen en ­ouders.
In plaats van samen te klitten en middelen voor de eigen groep te vragen, verschijnen zo veel hulptherapeuten met draagkracht voor zichzelf, en daarna ook voor anderen. De vicieuze cirkel wordt doorbroken – misschien gaat hij zelfs in de omgekeerde richting: van aandacht­vragend worden mensen aandacht­gevend. Wie weet, misschien is ook dat een sleutel, niet alleen voor een betere mentale volksgezondheid, maar ook voor een groter sociaal welzijn.
Als mentale hulpverlening verkwikkend en niet verklittend werkt, dan komt er misschien maatschappelijk meer ruimte om te zorgen voor elkaar. Ook voor al die kwetsbare groepen in onze omgeving – baby’s, kinderen, ­jongeren, ouderen – die de jongste weken zo onwaarschijnlijk schrijnend in het nieuws zijn gekomen.

Une clé pour un plus grand bien-être social. Il y a deux grandes façons d’organiser la prise en charge mentale. La première est d’ordre médicale et cherche à détecter les défauts et déficits à l’origine du mal. Elle a tendance à identifier le sujet avec son diagnostic et à rigidifier le public, qui trouve aussi dans ce diagnostic une bannière pour se regrouper et exiger des moyens pour une aide sociale adaptée à tous les niveaux, diagnostic, thérapie, école, travail etc. C’est une approche inévitablement perdante pour les pouvoirs publics, car il n’en fera structurellement jamais assez. La seconde part de l’idée que tous nous souffrons des mêmes maux, d’une part ceux, de l’existence et de l’autre, ceux de l’amour. La prise en charge est singulière et a tendance à mobiliser le sujet pour gouverner sa propre vie. Le plus souvent les sujets ne font pas que se prendre en main mais sont aussi plus disponibles pour leurs proches, partenaires, enfants, parents. Ainsi, il peut aussi s’agir d’une clé pur un plus grand bien-être social.

De erfenis van Charles Darwin

16.02.23, Bazan, A., De erfenis van Charles Darwin. Column. De Standaard.

Concrete dingen, waarneembare voorwerpen en feiten, zijn de eerste werkelijkheid en daar moeten algemene waarheden uit afgeleid worden. Dat schreef de 14de-eeuwse filosoof Willem van Ockham toen hij mee de biologie uit de theologie wou trekken. Charles Darwin, die vijf eeuwen later vinken verzamelde op de Galapagoseilanden, tekende met monniken­geduld de vele variaties in de vorm van hun bek. Het kan niet dat die ­variatie toevallig door God gecreëerd werd, besloot hij: die vogels hebben zich aangepast aan hun omgeving. Zo kwam hij tot de toen onzinnige, absurde, ­belachelijke conclusie dat die variatie ontstond door natuur­lijke selectie.

Biologie was tot dan een wetenschap van het waarnemen, pas later werden ook in het laboratorium experimenten uitgevoerd die de ideeën, ingegeven door de waar­nemingen, konden toetsen. Maar ­Darwin liet zich louter door de getekende werkelijkheid ­raken, en het was die getrouwheid aan de observaties die sterk genoeg bleek om de allesover­heersende over­tuiging dat God de levende soorten had gecreëerd, ­omver te gooien. Het was een overwinning van de ­redelijkheid, omdat Darwins theorie aantoont dat de ­natuur op een logische manier ­vanuit vertrekpunten evolueert: toeval­lige biologische variaties die meer overlevingskansen bieden, ­leiden tot grotere overleving en voortplanting. De natuur heeft dus geen vooraf ­bepaald eindpunt of (goddelijk) plan – of met andere woorden: biologie is geen teleologie.

Psychologie is een jonge wetenschap: pas in de 16de eeuw ontstond het begrip zelf en pas in de 19de eeuw werd de doctrine een wetenschapsveld. Maar het veld is nog jeugdig en openlijk teleologisch ­opgespannen. Een van de grondwetten heet trouwens met zoveel woorden de ‘wet van het effect’, en voorspelt dat gedrag bij een prettig gevolg vaker zal voor­komen en ­minder vaak bij een naar gevolg. De gedachte dat dat niet zo zou kunnen zijn, is absurd: wie zit zo in ­elkaar?

Ook de hersenen begrijpen we als een gereedschapskist om doeltreffend een taak op te lossen. Toch brengen de ‘ornithologen van de menselijke geest’ – zij die de concrete woorden werkelijkheidsgetrouw in hun boeken neerpennen – vreemde infor­matie: mensen kunnen bijvoorbeeld de bal soms helemaal ‘mis’ slaan als het over taal gaat. Doeltreffend ­omgaan met ­olijven sluit uiteraard uit dat je ­gehinderd wordt door het woord ­‘lijven’ dat in ‘olijven’ zit, of nog dat je een angstaanval kunt ­krijgen bij de dubbelzinnigheid van het ‘oortje van een kopje’ koffie, of nog dat je kwaad kunt worden bij het woord ‘ezel’ in een schildersezel die je hebt gekregen. En toch gebeurt dat soms, ook bij perfect ‘gezonde’ of ‘normale’ mensen.

Als je er even bij stilstaat, is niet dat soort dubbelzinnig taaleffect zo verwonderlijk, maar wel de rotsvaste overtuiging dat zoiets tot het rijk der fabels behoort. Wie kleine kinderen meemaakt, weet bijvoorbeeld dat mensen eerst op een grappige ­manier taal gebruiken. Volgens de driejarige Anneke slapen de mensen in Rus(t)land de hele dag. En wanneer mama zegt ‘Dat is voor een noodgeval’, antwoordt ze ‘Maar er vallen hier toch geen noten? Eerst proberen kinderen de woorden te ­begrijpen vanuit de structuur van die woorden zelf. ­Redelijk taalgebruik vervangt niet de eerste ‘onredelijke’ manier, maar overschrijft die, komt erbovenop. Het idee dat we bij ­redelijkheid die ­onredelijke manier van werken geheel ­uitschakelen, dát is ­teleologie. De hersenen zijn niet alleen een ­gereedschapskist; ze ­zuigen ook ongevraagd alles aan wat ze aan ­routines kunnen onderwerpen, en checken niet eerst of die routine redelijk is volgens de normen die mensen zichzelf graag aanmeten. We zijn ons daar niet van ­bewust, maar psycho­linguïstisch ­onderzoek toont dat wel degelijk aan. Ook onze ondertussen gepubliceerde resultaten waaruit blijkt dat mensen rebussen oplossen zonder het te beseffen, kunnen alleen zo verklaard worden.

Psychoanalyse moet niet verdedigd worden en zoals in elke menselijke ­bedrijvigheid is er ook daar veel ballast. Maar de eerstelijnsclinici die de woorden van de mensen letterlijk neerpennen, verzamelen wel het ­materiaal dat in staat is om een allerheersende overtuiging omver te gooien: nee, de mens staat niet op een ­psychische grondvest van redelijkheid: we leggen allemaal soms onredelijke verbanden die ons ­gemoed beïnvloeden en dat gebeurt zonder dat we het beseffen. Dat verandert vrij radicaal de reikwijdte van de kantiaanse vraag ‘wat mogen we verwachten?’, niet alleen voor de psychische zorg, ook voor het samenleven. Wie ten gronde doorheeft dat hij onredelijk kan zijn zonder het te beseffen, kan kritischer worden voor de eigen denkautomatismen en ook minzamer voor de onredelijkheid van anderen. Dat is misschien een bron van hoop.

De naam van de matroos

De naam van de matroos

Ariane Bazan

Donderdag 19 januari 2023 om 3.25 uur

Een van mijn eerste patiënten was een man met rituelen. Voor hij zijn koffie dronk, moest hij drie keer met de ­wijsvinger de bovenomtrek van zijn kopje afleggen, en drie keer om het oortje draaien. Mijn tussenkomst was de herhaling: ‘Kop, oortje?’ Dat herinnerde hem aan een operatie die hij als driejarige ­onderging, onder narcose. Na toediening van de anesthesie, via een masker dat ter hoogte van zijn oren rond zijn hoofd was bevestigd, was hij al tellend in slaap gevallen, om bij het wakker worden de tel te hervatten en zo de draad van het leven vast te houden. Die kanteling naar een andere lezing van de kop en het oortje werkte als een aderlating: de associaties gulpten eruit.

Een betekenaarsfenomeen, heet dat en het lijkt een van de gekste psychoanalytische voorstellen te zijn. Toch ­vallen die fenomenen wel op voor wie voorzichtig en met open geest luistert. In een koppel is de spanning te snijden en de ruzie barst helemaal los als blijkt dat de man de verkeerde olijven kocht. Verwijten vliegen in het rond: ‘Je weet toch dat ik die niet lust.’ De analyticus, die het verhaal te horen krijgt, zegt ­alleen ‘oh!-lijven’ en zo krijgt de spanning een lectuur op het niet onbelangrijk domein van hun seksuele omgang.

Die fenomenen vat Jacques Lacan ­samen onder het motto ‘het onbewuste is gestructureerd als een taal’ en één ­aspect van dat voorstel hebben mijn collega Giulia Olyff aan de ULB en ikzelf aan ­experimentele toetsing onderworpen. Het artikel verschijnt volgende week ­onder de titel We lossen rebussen op ­zonder dat we het weten. Een rebus ­bestaat uit prentjes waarvan je de ­namen aan elkaar moet rijgen om zo tot een nieuw woord te komen. Een equi­valent in het Nederlands van ons experiment gaat zo: op een scherm krijgt een proefpersoon het beeld van een mat te zien, naast het beeld van een roos. We vragen gewoon te kijken. Na vier seconden krijgt zij een woord te zien – hier bijvoorbeeld ‘schip’ – en daarop vragen we naar de eerste zes associaties die dat woord ‘schip’ bij haar oproepen. Het idee is dat de namen van de beelden, mat en roos, een eigen leven kunnen leiden, los van hun afgebeelde betekenis – zoals we in de consultatieruimte zien dat de namen van de dingen – kop, oor of lijven – een eigen weg kunnen gaan, los van hun eerste betekenis. Als dat zo is, dan kunnen ze ook op elkaar inhaken en ‘matroos’ vormen, een woord dat niets met de afgebeelde ­dingen te maken heeft. Als dat woord nu zelfs maar een beetje meer aanwezig is dankzij de beeldjes, dan zullen de proefpersonen iets vaker ‘matroos’ ­zeggen als associatie met ‘schip’. Uiteraard controleren we op spontane ­associaties, want wellicht ­maken mensen ook zonder de beeldjes te zien de associatie met ‘matroos’ bij het woord ‘schip’. Maar het ­resultaat is significant: met de beeldjes erbij geven mensen vaker de rebuslectuur. We halen er ten slotte nog de mensen uit die het ­experiment doorzien, maar ook zij die niet doorhebben wat er gaande is, lossen zonder het te weten rebussen op.

Dat de beelden van een mat en een roos het woord matroos oproepen, is hier om twee redenen onthutsend. Om te beginnen is er geen specifiek ­onderling verband tussen een mat of een roos en een matroos. Wat we tonen, zijn bovendien alleen de afbeeldingen van een mat en een roos, niet de woorden, en toch kun je de resultaten alleen verklaren als de benaming voor elk ding onbewust is opgeroepen, ook al nodigt niets daartoe uit.

We denken doorgaans dat de beelden van de ons omringende wereld hun betekenis direct aanwakkeren, en dat taal eerder een middel is, iets wat je ­gebruikt als je het nodig hebt. Toch ­moeten we veronderstellen dat de dingen om ons heen altijd ongevraagd hun talige associaties aanwakkeren. Ander, recent psycholinguïstisch onderzoek, zoals dat van Sarah Chabal in de ­Verenigde Staten, bevestigt dat trouwens. Die talige associaties kunnen bovendien ook van betekeniswereld ver­anderen: een olijf kan onbewust aan een lijf doen denken en een koffiekop aan een hoofd.

Psychologie is een jonge wetenschap, ze maakt dezelfde denkfouten als de biologie in de 18de eeuw: teleo­logisch redeneren, de redenering afbuigen naar het gewenste resultaat. We verwerpen dat gekke idee dat wie twist over olijven, soms ook twist over lijven: zo dom kunnen we toch niet zijn, is het argument. Betekenaarsfenomenen kunnen niet bestaan omdat ze niet mogen bestaan, omdat redelijkheid de norm moet zijn. Met het rebusonderzoek kunnen we die evidentie ontkrachten: we kunnen op elk ogenblik onredelijke verbanden ­leggen ­zonder het te beseffen. Dat is geen corrigeerbare ­afwijking, maar de condition humaine.

  • Reactie in De Standaard, 26.01.2023: “Het talige onbewuste behoort tot het rijk der fabels”,  Durk Talsma, Johan Braeckman, Maarten Boudry, Filip Buekens.

We hebben allemaal onze ‘verdorven’ seksuele fantasieën

Ariane Bazan

Hoogleraar klinische psychologie en psychopathologie (ULB en Université de Lorraine) en columniste van deze krant.

We hebben allemaal onze ‘verdorven’ seksuele fantasieën

Zaterdag 2 juli 2022 om 3.25 uur

Om seksueel ­geweld in te perken, moeten we ­inzien dat iedereen ‘schan­dalige’ ­noden heeft, schrijft Ariane Bazan.

In het West-Vlaamse Veldegem werd vorige week een kinderarts aangehouden voor voyeurisme en het bezit van kinderporno. In Frankrijk worden twee ministers, Gérald Darmanin en Damien Abad, beschuldigd van seksueel geweld en vorige week kwam aan het licht dat er ook tegen de Franse staatssecretaris Chrysoula Zacharopoulou een klacht loopt wegens verkrachting en seksueel geweld in het kader van haar werk als gynaecologe.

Seksueel geweld is een universele constante: het is van alle tijden, komt voor in alle lagen van de bevolking en vrouwen, kinderen noch mannen blijven gespaard. De daders zijn het vaakst mannen, al kunnen moeders hun (jonge) kinderen soms ook aan verregaande handelingen onder­werpen. Zo vertelde een gezondheids­werker dat een jonge moeder ­opschrok toen ze het verbod kreeg om nog langer fellatio bij haar zoontje toe te passen om hem in slaap te krijgen.

Hulp verlenen aan slachtoffers van seksueel geweld is moeilijker dan je denkt. Zolang een slachtoffer duidelijk in die rol zit en blijft, zijn we empathisch en steunend. Maar als mensen opnieuw een eigen leven gaan leiden en soms – vaak door hun gewelddadig verhaal – verleidingsgedrag of manipulatief gedrag vertonen, kunnen we dat moeilijk verdragen. De omgeving, ook in instellingsverband, is niet ­altijd zuinig op termen als psycho­pathie of perversie, en dat stigma leidt tot uitsluiting. Ook zien we dat jonge slachtoffers die tijdens een zorg­verblijf een eigen seksueel leven ontwikkelen, met masturbatoire of seksuele praktijken, soms op onbegrip en terechtwijzing botsen. Zo kan activisme jegens seksueel geweld overhellen naar hygiënisme, stigmatisering en intolerantie. Dat is jammer, want precies die mechanismen isoleren mensen met hun moeilijke seksuele driften, wat de deur kan openzetten naar seksueel grensoverschrijdend gedrag in de sociale ruimte.

Seksueel geweld is moeilijk ­uitroeibaar, precies omdat het zich als een hydra kan gedragen: snijd je er de kop van af, dan groeien er twee koppen terug. Activisme is niet voldoende en, zonder voorafgaand denkwerk, schadelijk. Zo pleit ik voor een ander uitgangspunt. Transgressie, de neiging om je medemens ook als (seksueel) nutsvoorwerp te behandelen, is eigen aan de menselijke conditie. Je krijgt die neiging niet uitgeroeid tenzij je tot bijzonder zwaar geweld ­bereid bent. We kunnen beter proberen transgressieve neigingen te beheren, binnen een kader met beperkingen, dan te proberen ze uit te roeien.

Dat klinkt makkelijker dan het is. Het idee dat tot orgasme leidt, het ­zogenaamde fantasma, is in de kern bij iedereen transgressief. Porno­grafische labels brengen dat goed in kaart: van exhibitionisme en voyeurisme, sadisme en masochisme tot, bijvoorbeeld, vuiligheid, bestialiteit, pis- en kakseks. Het fantasma kan diep schokkend zijn, ook voor de persoon zelf die er opgewonden door raakt. Niet zelden staat iemands fantasma haaks op zijn sociale of bewuste waarden. Het klassieke voorbeeld zijn masochistische neigingen bij mensen die succesvolle machts­posities bekleden, terwijl mensen in zorgberoepen vaker over sadistische fantasma’s vertellen. Toch zegt het fantasma op zich haast nooit iets over het gevaar op seksueel geweld: bij moeilijkere fantasma’s gebruiken mensen duizend omwegen en uitvindingen om respectvol tot orgasme te komen, van masturbatie tot instemmende volwassen partners, over gadgets en vunzig taalgebruik.

Maar niet iedereen vindt de weg tot een vrije seksualiteit, en een moreel ­rigide omgeving en hygiënistische voorschriften verhinderen die zoektocht. Dat is jammer, want wie intiem tot ontspanning komt, zal in de sociale ruimte niet tot wandaad overgaan, en bovendien ook veel minder de neiging hebben om anderen voor de ­eigen fantasmatische kar te spannen. Zo denk ik dat bij ‘ruziestokers’ of ­sociaal onderdanige mensen soms onbewust een overeenkomend ­fantasma leeft, dat misschien niet sterk in de intieme sfeer tot ontlading kan komen.

Beheer van seksueel geweld betekent daarom de openheid om minzaam met de eigen fantasieën om te gaan, en ze in het beste geval ook tot ontspanning brengen, zij het exclusief in een intieme context met zichzelf of met bijdrage van instemmende volwassenen. Maar het houdt ook in dat we aanvaarden dat anderen analoge ‘schandalige’ noden hebben, zonder hen te veroordelen of te stigma­tiseren. Zo verplicht onze menselijke conditie ons niet alleen verregaand de maat te nemen van de soms diep schokkende kern die ons drijft, maar er zowel voor anderen als voor onszelf liefde voor te hebben.