Waarom mensen steeds hetzelfde trauma willen herbeleven

De basismodule voor het effect van het verleden is niet herinnering, maar herhaling, schrijft Ariane Bazan. Daarom zoeken mensen steeds weer dezelfde miserie op.

De Standaard, donderdag 14 mei 2025.

Het was moeilijk om deze week geen verband te zien tussen de beelden van de uitgehongerde inwoners van Gaza en die van de uitgemergelde overlevenden uit de naziconcentratiekampen. Ik besef dat die vergelijking een gevaarlijke evenwichtsoefening is, met het risico op beschuldiging van antisemitisme.

Nu kreeg ik deze week ook onthutsend nieuws over een vroegere patiënt, die te maken kreeg met een soort morbide herhaling in zijn leven. Toen Henk bij me op consultatie kwam, was zijn relatie met zijn eerste vrouw net beëindigd. Door de gesprekken heen kwam er rust en hij trouwde opnieuw.

Op een opendeurdag vorig weekend, zei aan het tafeltje naast mij een vrouw, hoorbaar voor iedereen, dat ze “op slag bij haar ex vertrokken was, toen ze plots haarscherp besefte dat langer bij Henk blijven haar fataal zou worden”. Ik keek om en herkende de dame: het was Henks tweede vrouw. Een koude rilling liep over mijn rug: dat waren exact dezelfde woorden die Henks eerste vrouw had gebruikt bij haar vertrek. Zij was toen, met meerdere maagzweren en sterk verzwakt, in het ziekenhuis opgenomen, en verbrak daarna de relatie.

Henk had als pasgeborene eerst zijn vader verloren. Toen hij vier was, stierf ook zijn moeder aan een overdosis. Als je te maken hebt met trauma, zeker met vroeg en zwaar trauma, dan probeer je in je verdere leven onbewust dat trauma te herhalen, vertel ik de volgende dag in mijn les. We hebben het mis over hoe de mens omgaat met zijn verleden. We denken dat we mentale plaatjes maken van wat we beleven, en dat we achteraf de donkere beelden weggooien om alleen de fijne te bewaren. Dat is hoe we het graag willen, en daarom verklaren we het tot norm: wat fijn is, zoeken we te herhalen en wat pijnlijk is, vermijden we. Alsof we van bij de geboorte over een mechanisme kunnen beschikken dat selecteert wat blijft en wat verdwijnt.

Dat is natuurlijk een beetje tovenarij. De biologische materie vanwaaruit een psychisch systeem vorm krijgt, is in wezen waardevrij – het is een “meedogenloos onverschillige” natuur, zoals de bioloog Richard Dawkins schrijft. Onze weefsels zijn niet georganiseerd om ons geluk of plezier te laten beleven, maar om ons te laten overleven en erop toe te zien dat we ons voortplanten.

Om te kunnen overleven, zijn we wel biologisch uitgerust om ‘evenementen’ te onderscheiden van ‘gebeurtenisloze belevingen’ en om ons door die gebeurtenissen te laten veranderen. Alles wat onverwacht of heftig is, lokt een dopaminerge reactie uit, waardoor neuronale trajecten sensitief worden. Wat zo wordt geregistreerd, is niet de gebeurtenis zelf, maar wat we op dat precieze moment doen met ons lichaam, onze blik, onze gedachten. Wordt later een van die reacties opnieuw uitgelokt, dan worden de andere handelingen mee aangezet.

Precies daarom is de basismodule voor het effect van het verleden niet herinnering, maar herhaling. Als die herhaling een aangename sequentie oproept, spreken we over een “mooie herinnering”. Als ze nuttig blijkt, noemen we het “leren” of “ervaring”. Maar eigenlijk werkt ons mentale systeem op net dezelfde manier als we eerdere miserie opnieuw opzoeken.

Wat Henk doet, vertel ik verder aan mijn studenten, is herhalen. Als kind weet hij het overlijden van zijn ouders aan zichzelf – want dat is wat kinderen doen. In zijn mentale beleving is hij ‘dodelijk’ geweest voor de mensen die hij het liefst zag. Om van dat trauma te genezen, probeert hij nu te bewijzen dat geliefden hem kunnen “overleven”, ook al richt hij onbewust bijzonder veel schade aan. Herhalingsdwang is demonisch, schrijft Freud.

Henk en zijn partners betalen een zware prijs voor zijn onbewuste herhaling en niets garandeert dat hij een vrouw zal vinden die zijn destructiviteit kan trotseren en zo zijn herhalingsdwang kan stoppen.

Maar ook op het wereldtoneel wordt een zware prijs betaald. Wat de inwoners van Gaza betreft, lijkt het me geenszins antisemitisch of vergoelijkend om te stellen dat het onnoemelijke leed dat de Joden werd aangedaan, in het leed van de Palestijnen een demonische herhaling vindt.

Maar voorbij dat rechtstreekse leed, lijkt er onbewust nog een andere partij betrokken te zijn bij de herhaling: de zwijgende of medeplichtige buur – een overgroot deel van Europa toen – wiens zwakke of laffe houding ook diep heeft gekwetst. Nu we opnieuw beelden te zien krijgen van duizenden verdwaasde en uitgehongerde burgers is de vraag: zal de wereld ook nu weer zwijgend, vergoelijkend en zelfs medeplichtig toekijken?

Pourquoi les humains souhaitent-ils rejouer les mêmes traumatismes ? La répétition, et non la mémoire, est la principale voie par laquelle le passé continue d’agir. Face à des traumatismes précoces, les individus rejouent souvent inconsciemment les mêmes situations douloureuses, dans l’espoir d’en modifier l’issue. Ce phénomène, que Freud appelait la “compulsion de répétition”, se manifeste aussi bien dans les trajectoires individuelles que dans les dynamiques collectives. Un exemple clinique montre comment un homme reproduit les mêmes relations destructrices, avec pour enjeu la réparation d’un traumatisme inaugural. Cette répétition inconsciente engendre une souffrance écrasante, tant pour les victimes que pour les témoins. À l’échelle mondiale, certains conflits réactivent également des blessures historiques non résolues. Et alors que nous voyons à nouveau des images de civils hagards et affamés, une question cruciale se pose : le monde restera-t-il, une fois encore, silencieux, complaisant — voire complice ?

Onderschat de psychische impact van een vonnis niet

Geen straf voor verkrachting leidt tot een gevoel van straffeloosheid, schrijft Ariane Bazan. De dader een cursus traumapsychologie en psychoseksualiteit laten volgen ware beter geweest.

De Standaard, 4 april 2025.

Hoe gevoelig de strafmaat ligt bij een rechterlijk vonnis, bleek nog maar eens na de merkwaardige opschorting voor de 24-jarige geneeskundestudent uit Leuven, die schuldig is aan verkrachting. Als we een ander schade berokkenen – en dat doen we zodra we die persoon als een ding behandelen, wat hier kennelijk het geval was – is er schuld. De rechtspraak kan erop toezien dat we als groep, inclusief de dader, toch weer samen verder kunnen. Het vonnis, met inbegrip van de strafmaatregel, maakt dat mogelijk. Het zegt aan de dader: “Door deze mens te schaden, heb je de hele groep geschaad. We zetten je niet definitief uit de groep, maar je moet nu wel deze straf uitzitten om opnieuw een volwaardige plaats in de groep te kunnen innemen.”

Schuldbesef is niet in steen gebeiteld omdat de dader er expliciet en authentiek blijk van heeft gegeven. Als er geen of een te lichte straf is, kan het idee van straffeloosheid ontstaan, ook al hebben we schuldinzicht getoond. Mensen zijn niet zonder grensoverschrijdende foute gedachten. Bij een te lichte straf kan bij de dader het idee ontstaan dat hij er nog licht van af is gekomen en dat het dus misschien wel de moeite waard was. Omgekeerd, als de straf onredelijk zwaar is, krijgen we het bijzonder moeilijk en stapelen we rancune op: “Ik heb inderdaad een misstap begaan, maar deze straf is buiten proportie, ik word oneerlijk behandeld.”

Een correcte rechtspraak met een proportionele straf voorkomt beide reacties. Een straf heeft dus niet alleen een sociaal nut – het voorkomen van recidive – maar heeft ook en vooral mentale effecten. Net die mentale effecten zijn bepalend voor recidive. Op een paradoxale manier bevordert zowel het gevoel van straffeloosheid – “ik word toch niet gestraft” – als het gevoel van rancune – “de groep behandelt me toch niet fair” – de kans op recidive.

Aangepaste strafmaatregel

In dit concrete geval was een aangepaste strafmaatregel misschien een beter idee geweest. De jongeman geeft daar zelf de aanzet toe als hij zich bereid toont om vragen te beantwoorden en in gesprek te gaan. Justitie zou aangepaste strafmaatregelen in die richting kunnen uitspreken, zoals het verplicht volgen van een cursus traumapsychologie en psychoseksualiteit, of het verplicht deelnemen aan herstelgerichte conferenties. Dat zijn begeleide gesprekken waaraan daders, slachtoffers en andere betrokkenen (zoals familieleden of vrienden) op vrijwillige basis kunnen deelnemen. Omdat de strafmaatregel uitsluitend de dader moet treffen, gaat het uiteraard nooit over daders en slachtoffers van hetzelfde delict. Toch leiden zulke herstelgerichte conferenties vaak tot emotionele uitwisselingen die alle deelnemers door elkaar schudden. Het gevolg is een stukje vermenselijking, met het directe besef hoe misdaad mensenlevens schaadt, maar ook met het besef hoe snel mensen – alle mensen, ook zij van wie we het niet meteen verwachten – misstappen kunnen begaan. Zo’n cursus volgen of deelnemen aan zulke gesprekken verplicht een dader om een stuk van zijn tijd en van zijn aandacht te geven en op die manier zijn schuld af te lossen en tot inzicht te komen.

Dynamiek van wraak

Een strafmaatregel in die aard kan een tegengif zijn tegen de woekering van het gevoel van straffeloosheid en kan door haar proportionaliteit tegelijk rancune voorkomen. In een rechtsstaat is het essentieel om de strafmaatregel los te koppelen van de slachtofferbegeleiding: wat er moet gebeuren met de dader wordt niet afgestemd op wat het herstel van het slachtoffer bevordert. Dat lijkt hard, maar het is essentieel om een dynamiek van wraak te voorkomen. Toch zal een juiste aanpak van de dader zowel het slachtoffer als de groep helpen om makkelijker tot berusting te komen. Zonder dat die berusting het doel is van zo’n aangepaste strafmaatregel, zou het er uiteraard een welkom gevolg van kunnen zijn.


Ne sous-estimons pas l’impact psychique d’un verdict. Un jugement juste et proportionné ne se limite pas à prévenir la récidive : il permet au coupable d’assumer sa faute et de retrouver une place dans la société. Une peine trop légère peut entretenir l’idée que l’acte en valait la peine, tandis qu’une sanction trop lourde risque de nourrir le ressentiment et le sentiment d’injustice. Dans l’affaire récente d’un étudiant reconnu coupable de viol, mais qui n’a pas été condamné à une peine effective, une mesure alternative aurait peut-être été plus adaptée — comme l’obligation de suivre un cours de psychosexualité ou de psychologie du traumatisme, ou encore la participation à des conférences restauratives. Ces dispositifs visent à favoriser la prise de conscience des conséquences humaines d’un acte délictueux, tout en évitant la confusion entre la sanction infligée au coupable et la réparation attendue par la victime. Ils ouvrent également un espace pour l’humanisation — ou la réhumanisation — des rapports, condition nécessaire à toute forme de reconstruction individuelle et collective.

Ne sous-estimons pas l’impact psychique d’un verdict. Un jugement juste et proportionné ne se limite pas à prévenir la récidive : il permet au coupable d’assumer sa faute et de retrouver une place dans la société. Une peine trop légère peut entretenir l’idée que l’acte en valait la peine, tandis qu’une sanction trop lourde risque de nourrir le ressentiment et le sentiment d’injustice. Dans l’affaire récente d’un étudiant reconnu coupable de viol, mais qui n’a pas été condamné à une peine effective, une mesure alternative aurait peut-être été plus adaptée — comme l’obligation de suivre un cours de psychosexualité ou de psychologie du traumatisme, ou encore la participation à des conférences restauratives. Ces dispositifs visent à favoriser la prise de conscience des conséquences humaines d’un acte délictueux, tout en évitant la confusion entre la sanction infligée au coupable et la réparation attendue par la victime. Ils ouvrent également un espace pour l’humanisation — ou la réhumanisation — des rapports, condition nécessaire à toute forme de reconstruction individuelle et collective.

Hersenonderzoek leert ons niets over mentale aandoeningen

Het biologische breinonderzoek heeft ons nauwelijks iets kunnen bijbrengen om mentale aandoeningen te verklaren, schrijft Ariane Bazan. Dat is een erg belangrijk inzicht: het psychische vraagt om een eigen wetenschap.

De Standaard, 23 april 2025.

Het religieuze gevoel onder jongeren neemt toe. Het gaat bovendien gepaard met een concreet engagement: zo kende de Semana Santa in Spanje vorige week een opvallend succes, met jongeren die zich actief inzetten voor verschillende broederschappen. Remco Evenepoel verklaart dat hij vaak bidt, en zanger-acteur Maksim Stojanac zegt dat hij regelmatig naar de kerk gaat. Mensen zijn op zoek naar zingeving – dat is ook volgens Hans Geybels, godsdienstwetenschapper aan de KU Leuven, de eerste verklaring voor dat fenomeen, zoals hij vorige week zei in het radio 1-programma De wereld vandaag. De grote verhalen van weleer, zoals het socialisme of het liberalisme, overtuigen niet langer. Francis Fukuyama voorspelde eind vorige eeuw “het einde van de geschiedenis”, waarbij de liberale democratie als eindpunt werd voorgesteld – een moment waarop, zo stelde hij, geen nieuwe of betere vorm van zingeving meer denkbaar zou zijn.

Sinds 1990, en zeker in het laatste decennium, ontwikkelt zich nochtans een ander belangrijk fenomeen, dat ook een deel van het verlies aan zingeving kan verklaren, maar waarvoor we opvallend blind zijn. We leven er midden in, en juist daardoor zien we het niet scherp. Maar over een eeuw of twee zullen we terugblikken op een cruciaal keerpunt. We merken het ook nauwelijks op, omdat het gaat om een afwezigheid – het uitblijven van bepaalde resultaten, waarin we alle hoop hadden gesteld.

Zijn we met zijn allen ‘beleefdheidshalve’ dat enthousiasme uit het begin van de jaren 90 vergeten, toen de eerste spectaculaire breinbeelden verschenen? De methodologische doorbraken die het mogelijk maakten het brein rechtstreeks in werking te zien – PET-scan, fMRI, magneto-encofalografie – volgden elkaar op, en tegelijk steeg ook bij het publiek de spanning. Eindelijk zouden we een inkijk krijgen in het intieme leven van de neuronen en de etherische geest van de mens; eindelijk zouden we de ons eeuwig ontsnappende geest kunnen vatten. Sinds 1990 liepen de wereldwijde investeringen in hersenonderzoek op tot miljarden euro’s, met grote nationale en supranationale programma’s zoals het Amerikaanse Brain Initiative (sinds 2013, met inmiddels meer dan 3 miljard dollar), het Europese Human Brain Project (2013–2023, met een uiteindelijke investering van circa 600 miljoen euro), en het Chinese China Brain Project (gestart in 2016 met naar schatting een half miljard euro). En hoewel dat heeft geleid tot nieuwe en meer gedetailleerde kennis van de hersenen, blijft de prevalentie van mentale aandoeningen wereldwijd stijgen, zijn klassieke behandelingen grotendeels onveranderd gebleven en heeft het hersenonderzoek de therapeutische praktijk niet wezenlijk getransformeerd.

We vergeten welwillend, en onbewust solidair met de prestigieuze onderzoekers, onze grote hoop van toen op een oplossing voor de psychische ziektes. We vergeten daarmee ook, terloops, de miljarden euro’s die geïnvesteerd werden. Maar dat de berg een muis heeft gebaard, ook al gaat dat met weinig misbaar gepaard, is niet zonder gevolgen. We zoeken andere toegangen tot zingeving en dat doen we vaker los van, of zelfs met een afkeer van de wetenschap. Dat is niet zonder gevaar, want zodra wetenschap ‘een overtuiging zoals een andere’ wordt, lonken duistere tijden waarin behalve religie ook bijgeloof welig tiert, met parallelle waarheden en eigenzinnige praktijken – zoals het weigeren van vaccinatie – waarvan we de autoriteit niet langer aan officiële instellingen overlaten, maar aan individuele intuïtie of alternatieve bronnen.

Opvallend is dat we de wetenschappers niet vragen om hun falen te verklaren en dat is een gemiste kans. Want we hebben wel degelijk iets fundamenteels ontdekt: het psychische gaat niet over neuronen. Dat psychologie geen breinwetenschap is, mogen we nu wel zeggen, nadat we er zo hard naar gezocht hebben – en dat is enorm. Met recht en reden kunnen we nu pas stellen dat de geest verzorgen niet een kwestie van biologie is, maar van psychologie. En dat doen we met taal, met woorden en woordbrokken, met rebussen en metaforen, en met verhalen – een volledig instrumentarium dus, dat vraagt om een eigen wetenschap, autonoom, los van de biologie. Niks geen einde van de geschiedenis, maar een heel nieuw begin.


Pour une psychologie autonome face à l’échec des neurosciences cliniques. Malgré des investissements massifs dans la recherche cérébrale depuis les années 1990, les avancées cliniques dans la compréhension et le traitement des troubles psychiques restent limitées. Ce constat conduit à repenser en profondeur l’idée selon laquelle les maladies mentales pourraient être expliquées par l’activité neuronale. La recherche en neurosciences révèle ainsi une donnée essentielle : la science du psychique n’est pas celle du cerveau. Le soin psychique ne relève pas de la biologie, mais de la psychologie – entendue comme une discipline fondée sur le langage, les récits, les rébus et les métaphores. Ce constat appelle à reconnaître une véritable autonomie scientifique de la psychologie, à côté des neurosciences, sans y être subordonnée. Il s’agit aussi de ne pas laisser les citoyens se détourner de toute approche scientifique, faute d’alternative crédible aux promesses non tenues des neurosciences.

Soms heeft een vrouw een man nodig om haar startknop te vinden

Als we de psychologie van het seksleven in aanmerking nemen, gaan we mannen minder zien als potentiële predatoren, maar als hoffelijke en hoofse dichters, schrijft Ariane Bazan.

De Standaard, donderdag 13 maart 2025.

Toen Ilse voor het eerst bij mij aanklopte, zat ze in een ongelijke verhouding met een jongere man die ze beschreef als middelmatig en enigszins laf. Terwijl zij netjes de landbouwschool doorliep, sliep hij een gat in de dag. Hij waste zich zelden, maar eiste wel seks van haar, die ze soms met weerzin onderging. Hij wist dat ze vroeg moest opstaan, maar hield haar tot diep in de nacht wakker met monologen over allerlei ‘hoogstaande’ onderwerpen, zoals politiek en filosofie. Zij keek naar hem op en dacht dat het zo hoorde, een relatie hebben. In het begin beschreef ze hun seksleven in kuise bewoordingen. Ik begreep dat het nooit lang duurde en dat hij snel klaarkwam.

Tijdens haar eerste stage in een plantenkwekerij ontmoette ze Gunter, een oudere, gelukkig getrouwde man. Gunter was niet alleen een begenadigd lesgever, hij gaf ook regelmatig rake commentaren over het leven en over mensen. Ilse was meteen stapelverliefd. Dat ontging Gunter niet, maar hij bleef minzaam en hoffelijk, zonder over een grens te graan.

Een week na het einde van de stage kreeg Ilse een brief, met fragmenten die over haar gingen. Onder mannen hadden ze het wel eens over haar, las ze met verbazing, over hoe ze doorheen haar kleren de rondingen van haar borsten vermoedden. Gunter schreef poëtisch, maar zonder zwaarte: hij vermeed de ik-vorm en werd nooit persoonlijk. Een bijzondere man, dacht ik toen: hoe hij een vorm vond om Ilse te vertellen dat mannen haar begeren, zonder zich op te dringen. Die hoofse aanpak werkte niet minder erotiserend. Het leek alsof Gunter een startknop had ingedrukt, haar wakker had geschud, Ilse begon een heel nieuw leven. Bij mij sprak ze onsamenhangend, maar het deed er niet toe, niets deed ertoe. Ze ging een vibrator kopen, maakte haar woonplek knusser met geurkaarsen en zachte stoffen, alsof ze altijd had geweten wat ze precies zou doen zodra het startsein kwam.

“Ik denk wel dat dat het was. Mijn moeder dacht dat het niet bestond, maar ik denk wel dat dat het was”, vertelde Ilse me. Ze was voor het eerst klaargekomen, een aardverschuiving. En dat was pas een begin: daarop begon ze pornoblaadjes te kopen en online welbepaalde filmpjes te zoeken. Ze verliet haar vriend en verving hem door een reeks mannen. Ze spreekt over ieder van hen met opmerkelijk veel liefde. Die nieuwe mannen zijn in tegenstelling tot haar ex-vriend lief en respectvol, hoewel ze in het liefdesspel best ruw en zelfs vernederend kunnen zijn.

8 maart was Vrouwendag. Ondanks MeToo lijken we er in veel opzichten op achteruit te gaan: er duikt een nieuwe vorm van extreme masculiniteit op en de kloof tussen mannen en vrouwen wordt weer dieper. Hoe kan het zo de verkeerde kant uitgaan? Misschien missen we een psychologische wetenschap om de mentale kant van het seksleven in kaart te brengen. De ideeën waar een mens van klaarkomt zijn van biologische noch van sociologische aard. Ze krijgen veelal vroeg in het leven al vorm, en daardoor omvatten ze onkuise fantasma’s, waarin het lichaam ook als een object wordt bejegend. Die specifieke scenario’s ontlokken orgasmes, die massaal lichamelijke spanning laten weg­ebben. Wie die weg naar het orgasme goed kent, stapt lichter door het leven en wordt sociaal weerbaarder.

De moeilijkheid in deze 21ste eeuw, in deze prehistorie van de psychologie, is hoe die twee ideeën met elkaar te rijmen. Hoe je door het leven stapt, is uiteraard een sociale en sociologische kwestie, dat gaat over je interactie met andere mensen. Maar de weg naar het orgasme behoort tot het intieme psychische leven en daarin kan een partner – voor een vrouw vaak een man – een cruciale rol spelen. Betrekken we dus in de man-vrouwdiscussies niet alleen de biologie en de sociologie, maar ook de psychologie, dan gaan we mannen minder zien als potentiële predatoren, maar als hoffelijke en hoofse dichters, die soms als geen ander de startknop weten te vinden.


Parfois, une femme a besoin d’un homme pour trouver son bouton de démarrage. Le 8 mars était la journée de la femme. Malgré MeToo, la situation semble empirer à bien des égards : une nouvelle forme de masculinité extrême émerge et le fossé entre les hommes et les femmes se creuse à nouveau. Comment les choses ont-elles ainsi dégénéré ? Peut-être manquons-nous d’une science psychologique pour cartographier l’aspect mental de la vie sexuelle. Les idées qui déclenchent l’orgasme ne sont ni biologiques ni sociologiques, mais bien d’ordre psychique. Ceux qui connaissent bien ce chemin vers l’orgasme traversent la vie avec plus de légèreté et deviennent plus résistants sur le plan social. La façon dont nous traversons la vie est évidemment une question sociale et sociologique, c’est-à-dire une question d’interaction avec d’autres personnes. Mais le chemin vers l’orgasme appartient à la vie psychique intime, et dans celle-ci, un partenaire – pour une femme, souvent un homme – peut jouer un rôle crucial. Ainsi, si nous incluons non seulement la biologie et la sociologie, mais aussi la psychologie dans les discussions hommes-femmes, les hommes peuvent sortir de ce cadrage étroit de prédateurs potentiels et se profiler également tels des poètes courtois et habiles, qui comme nuls autres arrivent à trouver le bouton de démarrage.

Met diagnostische labels richten psychologen vaak nog meerschade aan dan er al was

Een diagnostisch label ondermijnt de veerkracht van sommige jongeren, omdat ze alledaagse uitdagingen vanaf dan als onoverkomelijk beschouwen, schrijft Ariane Bazan.

De Standaard, donderdag, 13 februari 2025

In de late jaren 80 had ik een hartsvriendin. Camille kwam vaak bij ons thuis, ging dan op mijn bed liggen en vertelde over het leven. Ik wist niet meteen wat ik daarmee aan moest, maar dat stoorde haar niet. Elk weekend opnieuw deed ze haar verhaal. Ik hoorde over haar eerste suïcidepoging toenik al in Gent studeerde. Dat was schokkend. Ik zocht haar meteen op en zei toen banale dingen: dat ik haar graag zag, dat ze mooi en intelligent was, dat het leven haar zou toelachen. Dingen, bedenk ik nu, waar ze toen wellicht weinig boodschap aan had. Maar het stoorde haar niet, ze bleef me bellen, vaak huilend, radeloos.
Er was veel te doen over zelfdoding de voorbije dagen. Deze krant meldde dat de spoeddiensten een onrustwekkende toename van het aantal suïcidepogingen bij tieners zien, en dat die druk het gevolg is van de wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg. We krijgen snel het idee vaneen hopeloze wereld. De mondiale dreigingen zijn moeilijk te ontkennen en wegen onvermijdelijk op de toekomstperspectieven van jongeren. Daarnaast heeft een oplossing zoeken voor de wachtlijsten iets weg van het tweede werk van Hercules, toen hij de Hydra moest doden en er voor elke afgehakte kop twee nieuwe in de plaats kwamen: hoe meer geld je investeert in de geestelijke gezondheidsvoorzieningen, hoe langer de wachtlijsten worden.
Tegen dat licht gehouden was er ook verrassend nieuws. Voor het eerst in jaren is er vanuit scholen minder vraag naar steun voor kinderen en jongeren met leermoeilijkheden of autisme. Scholenzetten meer en beter in op brede basiszorg en wat minder op de kindgerichte ondersteuning, en daardoor neemt de druk af. Zelfs al kunnen we de wereldproblematieken niet oplossen, het is dus niet zo moeilijk om het voor kinderen beter te maken: als we niet te systematisch overgaan tot specialistische hulp, maar inzetten op brede, algemene hulp, komt er ademruimte.

Het is een paradox vanjewelste, maar als psychologen zich moeien met diagnostische labels of metspecialistische interventies, richten ze niet zelden meer schade aan dan er al was. In een essay dat zetwee jaar geleden voor The New York Times schreef, maakt psychologe Darby Saxbe van de University of Southern California dat op een vernietigende manier duidelijk: ze geeft het overzicht van drie studies naar het effect van grootschalige geestelijke gezondheidstrainingen in scholen, twee sociaalemotionele vaardigheidstrainingen en een mindfulnesstraining in Groot-Brittannië en inAustralië. Uit elke studie blijkt dat de tieners die het programma volgden, depressiever en angstiger werden, meer moeite hadden om hun emoties te beheersen en zelfs slechtere relaties hadden met hun ouders dan de controlegroep zonder de training. Ook Saxbe verklaart dat door het aanpraten van labels: zo schakelen jongeren makkelijker over van de gedachte “ik ben zenuwachtig voor eenexamen” naar “ik kan geen examen doen omdat ik angst heb” en die reframing ondermijnt hun veerkracht omdat ze alledaagse uitdagingen nu als onoverkomelijk beschouwen.

Toen ik in 1995 na een maand terugkwam van een verre reis, vond ik sporen in mijn appartement van Camilles tweede en – zo vernam ik later – derde poging. Ik nam mezelf mijn afwezigheid kwalijk en zocht haar dagelijks op, wist vaak niet wat te zeggen, luisterde vooral. Camille kwam ook even bij me wonen. Ze vroeg me vaak of ik akkoord ging met haar visies. Ik had er veelal geen mening over. Ze wisselde vaak van vriendjes, die ik fout of zelfs gevaarlijk vond. Ik zei niet altijd de juiste dingen.Maar het stoorde haar niet, ze bleef.

Mensen stappen soms uit het leven omdat ze geen plaats vinden. Op een gekke manier denken we soms dat we het leven kunnen verlaten alsof we er nooit geweest zijn of dat we er pas mogen zijn als we iets bijbrengen of als we niet te veel op anderen wegen. Maar de waarheid is dat al wie er nu eenmaal is, een onvervangbare plaats heeft tussen alle anderen en onherroepelijk deel uitmaakt van die anderen en dat wie weggaat, een gapende, pijnlijke leegte achterlaat. Toch twijfelen we ook makkelijk aan die evidentie, en die twijfel kan ieder van ons plagen, of we nu bipolair zijn, schots en scheef in elkaar steken of ‘normaal’ zijn. Voor die mentale pijnen, die geen ziektes zijn, hebben we laagdrempelige non-specialistische hulp nodig met algemeen gevormde psychologen en continuïteit van zorg – en minder gespecialiseerde centra met onoplosbare en onbetaalbare wachtlijsten.
En Camille, die heeft nu een ranke, mooie dochter van vijftien. We zijn nog altijd hartsvriendinnenen moeder en dochter stellen het goed.


Avec les étiquettes diagnostiques, les psychologues font souvent plus de dégâts qu’il n’y en avait déjà. C’est un paradoxe, mais lorsque les psychologues interviennent entant que spécialistes, il n’est pas rare qu’ils fassent plus de dégâts qu’il n’y en avait déjà. Dans un essai écrit pour le New York Times il y a deux ans, la psychologue Darby Saxbe, de l’université de Californie du Sud, l’explique de manière cinglante : elle passe en revue trois études sur les effets d’une formation à grande échelle en matière de santé mentale dans les écoles, deux programmes de formation aux compétences socio-émotionnelles et un programme de formation à la pleine conscience, en Grande-Bretagne et en Australie. Chaque étude a révélé que les adolescents ayant suivi le programme étaient plus déprimés et anxieux, avaient plus de difficultés à gérer leurs émotions et avaient même de moins bonnes relations avec leurs parents que le groupe de contrôle n’ayant pas suivi la formation. Saxbe explique également que cela est dû à l’effet de l’étiquetage : par exemple, les jeunes concernés sont passé de la pensée « je suis nerveux à propos de cet examen » à « je ne peux pas faire cet examen parce que j’ai de l’anxiété », et ce recadrage sape leur résilience car ils considèrent désormais les défis quotidiens comme insurmontables. Pour les douleurs mentales, qui ne sont pas des maladies, nous avons besoin d’une aide non spécialisée à bas seuil avec des psychologues généralistes et une continuité des soins – et moins de centres spécialisés avec des listes d’attente insolubles et qui grèvent le budget de l’état.

De mens is geen willoos slachtoffer, hij maakt keuzes en neemt beslissingen

Donderdag 16 januari 2025 om 03:00

Ons geestelijke gezondheidsmodel gaat ervan uit dat de mens maakbaar is en door medische ingrepen verbeterd kan worden. De mens als een afwachtende, passieve ontvanger. Dat hoeft niet zo te zijn, vindt Ariane Bazan.

Met kerst waren mijn man en ik een week bij mijn schoonfamilie. Toen we de oorzaken voor mentale aandoeningen bespraken, kwam mijn schoonvader, die aan een bipolaire stoornis lijdt, verrassend uit de hoek: “Ik heb op een bepaald ogenblik gekozen om me daarin te laten gaan.”

Wellicht zal niet iedereen zich in die uitspraak herkennen, maar het klinkt wel als Freuds idee dat mensen ook deels kiezen, veelal onbewust, voor de vorm – of de ‘ziekte’ – van hun psychische onbehagen. Die stelling staat haaks op ons geestelijke-gezondheidsmodel, dat ervan uitgaat dat een psychische ziekte ontstaat als de combinatie van fysiologische bijzonder­heden in een bepaalde sociale context. De mens die spreekt, heeft in die visie niets in de pap te brokken: hij is twee keer het slachtoffer, zowel van zijn lijf als van zijn sociale bestel, het verketterde neoliberale kapitalisme.

Toen we met een groep zorgverleners en academici (het ‘Kollectief zonder dwang’) in 2017 in het Vlaams Parlement pleitten voor de afschaffing van de eenzame isolatie in de jeugdzorg, hadden we de Noorse jeugd­psychiater Einar Heiervang te gast. Op onze vraag hoe Noorwegen een jeugdzorg zonder dwang georganiseerd kreeg, terwijl bij ons de pragmatische bezwaren torenhoog leken, kwam het paradoxale antwoord: “We hebben eerst de wet goedgekeurd, en toen moesten we wel oplossingen vinden om ons aan die wet te houden.”

Gewoonlijk denken we dat mate­riële kwesties ons reilen en zeilen beslechten, en slaan we de kracht van de beslissing niet hoog aan. Dat is niet altijd zo geweest en dat hoeft ook niet zo te zijn. Onlangs was het de 80ste verjaardag van de slag bij Bastenaken, toen het Amerikaans leger het laatste tegenoffensief van de Duitsers kon tegen­houden. “Nuts”, was de spontane reactie van generaal Anthony McAuliffe op de Duitse eis tot over­gave. Hoewel het fort door Duitse troepen omsingeld was, was met die uitroep de keuze gemaakt om stand te houden, en de rest is geschiedenis. Vanuit de beslissing – een wet of een woord – putten we de kracht om te handelen. Toen Angela Merkel zei “Wir schaffen das”, kon ze dat niet garanderen, maar het was haar uitspraak zelf die de energie vrijmaakte om het inderdaad aan te kunnen.

Zoals Marc Reynebeau onlangs in een column schreef(DS 8 januari), is het dat soort “actief burgerschap” waarop we zullen moeten steunen. Tegelijk is die weerbaarheid sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog getaand, we zijn ingedommeld. Die verdoving lijkt het logische gevolg van de vredestijd, maar ze is ook het paradoxale resultaat van de technologische vooruitgang. Midden vorige eeuw ontdekten we de spectaculaire effecten van neuroleptica bij zware psychische ziektes. In 1953 kwam het dubbele helixmodel van DNA, wat leidde tot een explosie aan onderzoek naar de genetische determinering van menselijke eigenschappen en ziektes. De eerste breinbeeldtechnieken ontstonden in de jaren 80 en ontwikkelen onophoudelijk verder, met de parallelle uitwerking van interventietechnieken op de hersenen.

Maar al die ontwikkelingen monden uit in het idee van de maakbare mens: zowel in wie hij is als in hoe hij zich voelt, zou hij het resultaat zijn van zijn genetische samenstelling – zoals samengevat in Yuval Noah Harari’s boek Sapiens – en kan hij door medische ingrepen verbeterd worden. Met andere woorden: de mens als een afwachtende, passieve ontvanger.

De Franse antropoloog Ludovic Slimak schrijft in zijn vorig jaar verschenen boek Sapiens nu, le premier âge du rêve dat de grote revolutie in de ontstaansgeschiedenis van de mens, waarbij 70.000 jaren geleden de homo sapiens de neanderthaler verdrong, niet herleid kan worden tot enig biologisch gegeven – noch de vorm van zijn schedel, noch zijn DNA. Het is alsof de sapienscultuur per beslissing is ontstaan: een verhaal heeft zich in de ruimte en in de tijd overgedragen, met woorden is een beschaving geschapen.

We onderschatten de kracht van de beslissing, en dat is ook te wijten aan het heersende wetenschappelijke para­digma. Het is tijd, zowel voor onze geestelijke gezondheid, voor de samenleving als voor de wereldvrede, om wakker te worden uit de illusie van een maakbare mens en om over te stappen naar een model van een feilbare, maar wel handelende mens, die keuzes moet en kan maken. Het is tijd om over te stappen naar een “ethisch model van burgerlijke weerbaarheid”, om Reynebeau nog eens te citeren.

Ariane Bazan is hoogleraar klinische psychologie en psychopathologie (ULB en Université de Lorraine). Haar column verschijnt vierwekelijks op donderdag.


Dans le paradigme actuel le sujet se pense le plus souvent victime, que ce soit de son corps (ses gènes, son cerveau etc.) ou de la société (le néolibéralisme, les média sociaux, la méritocratie etc.). Cette pensée victimaire est également dû au paradigme scientifique dominant, induit par les grandes découvertes depuis 1950 : les psychotropes, la double hélice de l’ADN, l’imagerie cérébrale. Par conséquent, nous sous-estimons le pouvoir de la décision. Il est temps, à la fois pour notre santé mentale, pour la société et pour la paix dans le monde, de se réveiller de l’illusion de l’humain façonné passivement et de passer à un modèle de l’humain faillible mais agissant, qui peut et doit faire des choix. Il est temps de passer à un « modèle éthique de résilience civique », pour citer le journaliste Marc Reynebeau.

De zaak-Pelicot: de gewelddadige variant op de fantasie van de schone slaapster

De Standaard, 5 december 2024

De vijftig mannen die Gisèle Pelicot verkrachtten, kickten op haar bewusteloze toestand,schrijft Ariane Bazan. We moeten ons afvragen wat mensen ertoe aanzet een erotische fantasie zo gewelddadig in de praktijk te brengen.

Vorige week kende in de rechtbank van Avignon het wellicht geruchtmakendste verkrachtingsproces uit de Franse geschiedenis zijn voorlopige beslag. Dominique Pelicot (71) staat samen met vijftig andere mannen terecht voor de verkrachting van zijn vrouw, Gisèle Pelicot. De aanklagers eisen gevangenisstraffen van vier tot twintig jaar voor de 51 beklaagden. Het vonnis wordt later deze maand verwacht.

In 2011 begon Pelicot zijn vrouw “aan te bieden” op een gespecialiseerde site via een advertentie met de veelzeggende titel “Buiten haar medeweten”. Hij mengde telkens slaapmiddelen door haar voeding, waarna de beschuldigde mannen haar konden verkrachten terwijl ze compleet bewusteloos en van de wereld was. Dat was al een tiental jaar aan de gang toen een bewaker in een supermarkt Dominique Pelicot in september 2020 betrapte op voyeurisme. Dat leidde tot de inbeslagname van computermateriaal met honderden expliciete verkrachtings­video’s. Op basis van dat beeldmateriaal werden de beklaagden geïdentificeerd.

Het proces is opmerkelijk, zowel door zijn omvang als door zijn uitzonderlijke karakter. De bewusteloze toestand van Gisèle Pelicot zet meteen alle typische pogingen tot victimblaming (“haar houding of kledij suggereerden dat ze erom vroeg”) schaakmat. Ook de overvloed aan filmisch bewijsmateriaal is uitzonderlijk. Bijna alle daders betwistten in eerste instantie dat het om verkrachting ging en beweerden deel te nemen aan een fantasiespel dat het koppel onderling had bedacht. Pas toen ze geconfronteerd werden met de beelden waarop de bewusteloze Gisèle Pelicot en het soms brute geweld te zien waren, lieten de daders de ontkenningsstrategie varen.

De ernst van de gebeurtenissen ontkennen is een hardnekkig fenomeen, zoals onlangs ook bleek na de gevallen van spiking in Kortrijk. Daar dienden zestien jonge vrouwen een klacht in voor verkrachting onder invloed van ketamines, die ze buiten hun weten toegediend kregen in het uitgaansleven.

Het proces-Pelicot kreeg ook een uitzonderlijk politieke dimensie toen Gisèle Pelicot in september onverwacht de beslotenheid van het proces ophief en toestemming gaf om het beeldmateriaal vrij te geven. Door die moedige zet keerde ze de rollen om en zette ze haar man en de 50 andere beklaagden voor de ogen van de wereld in hun blootje.

De feiten voeden het idee van een ‘verkrachtingscultuur’, waarbij seksueel geweld mee het gevolg is van de dominantie van mannen over vrouwen in een patriarchale samenleving. Ook in dat opzicht is dit proces bijzonder boeiend. Vooreerst zijn er de woorden van Gisèle Pelicot zelf: “Ik draag deze strijd op aan alle mensen, vrouwen en mannen, die over de hele wereld het slachtoffer zijn van seksueel geweld.” Hoewel ze makkelijk open deuren had kunnen intrappen, verraste ze opnieuw met die politiek verbindende woorden.

Nog een ander aspect van de zaak bemoeilijkt een karikaturale, patriarchale lezing. Pelicot en haar naasten benadrukten herhaaldelijk de cruciale rol van de bewaker die haar man betrapte terwijl hij filmde onder de rokken van klanten in de supermarkt. Over voyeurisme wordt vaak lacherig gedaan, maar in dit geval was de bewaker erg doortastend. In niet mis te verstane bewoordingen gaf hij te kennen: “Je bent een smerige viezerik. Je mag van geluk spreken. Ik zweer het je, als het mijn moeder was, had ik je kop eraf gerukt.” We weten ondertussen dat die interventie wellicht Gisèle Pelicots redding is geweest: haar gezondheidstoestand verslechterde zienderogen door de aanhoudende toediening van slaapmiddelen.

Sociologische analyses omtrent het patriarchaat zijn dus misschien te veralgemenend om tot de vragen te komen die er echt toe doen. Dominique Pelicot, die geen geld vroeg aan de andere verkrachters, kickte wellicht louter op de verregaand sadistische fantasie van zijn vrouw over te leveren aan andere mannen. De mannen die langskwamen, kickten dan weer op haar bewusteloze toestand, in een bijzonder gewelddadige variant van de fantasie van de ‘schone slaapster’, die ook in de mythologie en de literatuur terugkomt. De klinische ervaring leert dat grensoverschrijdende fantasieën zowel bij mannen als bij vrouwen de seksuele opwinding voeden, maar veelal beperkt blijven tot gedachten, die soms uitgesproken en vertolkt worden binnen de intimiteit tussen instemmende partners.

De echt belangrijke vraag is dan ook: wat kan ertoe leiden dat die fantasie kantelt naar misdadige uitingen van seksuele transgressie? Daarin kunnen culturele factoren een rol spelen. Maar misschien is het minder dringend om een sociologisch profiel op te stellen van een identificeerbare groep waarbinnen het kwaad zou huizen, dan wel om te begrijpen hoe seksuele opwinding functioneert, en waarom ze soms ontspoort. Die vraag, die een intrinsiek psychologische vraag is, belooft wellicht bij te dragen tot een grotere onderlinge verstandhouding tussen mensen, in alle kleuren en varianten.

L’affaire Pélicot : la version violente du fantasme de la Belle au bois dormant
L’affaire Pélicot donne de la consistance à l’idée d’une ‘culture du viol’, alors que Mme Pélicot elle même s’exprime en des termes pacifiants quant à une potentielle opposition entre hommes et femmes. Les analyses sociologiques sur le patriarcat sont peut-être trop généralistes
et il pourrait être moins urgent d’établir le profil sociologique d’un groupe identifiable au sein duquel le mal serait présent, que de comprendre comment fonctionne l’excitation sexuelle et pourquoi elle déraille parfois. Dominique Pélicot jouissait probablement du fantasme sadique de livrer sa femme à d’autres hommes, alors que ceux-ci jouissaient peut-être de l’état inconscient de Mme Pélicot, dans une variante particulièrement violente du fantasme de la « belle au bois dormant ». L’expérience clinique montre que les fantasmes transgressifs alimentent l’excitation sexuelle chez les hommes comme chez les femmes, mais qu’ils se limitent le plus souvent à des pensées, parfois exprimées voire même mises en scène, dans l’intimité entre partenaires consentants. Qu’est-ce qui peut faire basculer ces fantasmes vers des actes criminels ? Cette question, intrinsèquement psychologique, permettrait de contribuer à une meilleure compréhension mutuelle entre humains de tous genres.

Hoe meer labels je op psychische klachten kleeft, hoe meer psychisch ‘zieken’ je krijgt

Donderdag 7 november 2024 om 03:00

De psychische gezondheidszorg bevat een constructiefout, ze focust te veel op diagnoses, schrijft Ariane Bazan. Dat leidt tot ‘mode-effecten’, zelfs epidemieën van psychische aandoeningen. We moeten dringend van model veranderen.
In de Pano-reportage ‘De jacht op labels’ wordt de ”goede” aanpak van psychische diagnose, met multidisciplinair overleg en verschillende ontmoetingsmomenten, vergeleken met een ‘minder goede’ aanpak op basis van minder, soms betwijfelbare informatie. Boeiend is dat die goede manier niet uitmondt in een diagnose. De patiënt krijgt een plaats op een curve, die de spontane variatie van ‘ADHD-intensiteit’ in de bevolking in kaart brengt. De diagnose ADHD is dan niet meer dan een afwijking van het gemiddelde. Hoe groot die afwijking moet zijn, hangt af van waar we de cursor plaatsen, en die bepaling is onduidelijk. De ADHD-scores van de patiënt in de reportage zijn niet hoog genoeg voor een ADHD-diagnose, maar hij krijgt ook niet te horen dat hij geen ADHD heeft. De commentator zegt dat er bij hem “vooralsnog geen diagnose komt”.
Het is een complex traject, dat tijd en middelen vergt. Maar als we mentaal lijden even ernstig nemen als een lichamelijke ziekte – als kanker bijvoorbeeld – dan is die investering gerechtvaardigd. We mogen niet laatdunkend doen over de nood aan een gedragen, zorgvuldig, multidisciplinair psychodiagnostisch proces. Alle specialisten zijn dan ook van mening dat er geld moet komen, zodat een goede, toegankelijke en snelle diag­nose mogelijk wordt voor iedereen.
Of niet?
Een kankerdiagnose leidt uiteindelijk tot een veel duidelijker antwoord. Het zou vreemd zijn mocht een expert – zoals voor ADHD of voor autisme – iets besluiten in de aard van: “U hebt een beetje kanker, zoals iedereen, maar we stellen geen diagnose.” Uiteraard lopen we in dit tijdsgewricht allemaal een verhoogd risico op kanker. Toch zal een arts na een uitgebreid onderzoek niet oordelen dat de ene “zoveel kanker” heeft dat die de diagnose krijgt, en dat de andere vooralsnog “te weinig kanker” heeft om de diagnose te krijgen. De parallel met medische diagnose gaat dus niet op.
De psychische diagnose hangt af van de cursor, en die is niet gebaseerd op onafhankelijke biologische parameters zoals bij kanker. Precies daarom kun je verwachten dat meer geld stoppen in het huidige systeem zal uitmonden in een toename van de vraag. Stel dat er meer budget komt, en daardoor ook meer zorg voor ADHD en autisme, waarom zouden mensen, die toch al “een beetje” ADHD of autisme hebben, maar net niet genoeg voor de diagnose, zich dan niet aandienen voor die zorg? Waarom zouden de mensen die enkele procenten onder die arbitraire cursor liggen, niet van dezelfde rechten kunnen genieten? En als de grens opschuift, denken we dan echt dat we dan niet met zijn allen mee zullen opschuiven?
Politici moeten beseffen dat er een constructiefout zit in een zorgsysteem dat mentale ‘ziektes’ op dezelfde manier behandelt als medisch lichame­lijke ziektes, maar zonder de objec­tieve indicatoren. Meer geld in een systeem met een constructiefout, kan dus de problemen groter maken: een groter aanbod aan voorzieningen zal de vraag aanzwengelen, omdat meer mensen hun recht op zorg zullen op­eisen, en dat zal dan weer leiden tot langere wachtlijsten en meer ongenoegen. Daardoor zullen ook meer mensen hun toevlucht zoeken in een parallel, betwistbaar circuit om alsnog een diagnostisch antwoord te krijgen.
Mentale pijn is niet op dezelfde manier een ‘ziekte’ als kanker. Het is om te beginnen een pijn van het menselijk bestaan en daarom moeten we andere principes dan de medische hanteren. In de geneeskunde beslist diagnose over de behandeling. Dat is veel minder het geval voor de geeste­lijke gezondheid. Veelal lijden we minder onder onze ‘afwijkingen’, dan onder de liefdes- en zijnsvragen: “Houden de anderen van mij? Ben ik het waard om te leven?” Omgekeerd, als die vragen wegebben, worden we weerbaarder, met of zonder ‘afwijkingen’. Daarom moeten we de mentale zorg niet (sterk) toespitsen op diagnostiek. Mochten we het diagnostische proces goeddeels inperken en het vrijgekomen budget – dat nu onder meer gaat naar gespecialiseerde centra – investeren in een groot­schalig, lokaal en laagdrempelig aanbod aan algemeen gevormde clinici, dan zullen veel mensen snel geholpen worden. Als bovendien de labels grotendeels uit het publieke domein verdwijnen, vermijden we mode-effecten, waarbij plots epidemieën ontstaan. Dan zullen mensen snel gehoor krijgen en vertellen waar ze werkelijk mee zitten, en tegelijk minder vast komen te zitten in een zieke identiteit. Om de geestelijke gezondheidscrisis op te lossen, moeten we niet méér investeren, maar veranderen van model.

Een mens is nooit psychisch uitbehandeld

Wie kanker heeft, wil tot elke prijs genezen, wie zwaar depressief is, net niet, schrijft Ariane Bazan. Toch is helpen altijd mogelijk. Het is schrijnend dat we mensen een ‘waardige’ dood aanbieden in plaats de juiste behandeling.

10.10.24, Een mens is nooit psychisch uitbehandeld. Column. De Standaard.

“Als je echt alles geprobeerd hebt, waarom moet je dan gedwongen blijven leven?”, vragen veel mensen zich af. Aron Wade was verpletterd door depressie en angst, hulp kon niet meer baten. Maar we hebben er geen idee van dat helpen wel mogelijk is, ook bij zwaar psychisch lijden, en dat de enige mogelijke weg vaak net níét werd bewandeld.

Hugo kwam tien jaar geleden gebroken aankloppen. Zijn verhaal lijkt op dat van Aron: “Ik hou van mensen en ik haat hen. Ik haat mezelf. Het lukt me niet om min of meer fatsoenlijk een relatie vol te houden. Of zij laat me vallen, of ik gedraag me als een eikel … Ik ben de moeite niet, steek geen tijd in mij.”

Toen ik hem leerde kennen, was ik nochtans onder de indruk: fysiek fit en professioneel geslaagd. Maar na een zoveelste liefdesbreuk zat hij zo diep dat hij donkere voornemens had.

De eerste jaren van zijn therapie verliepen moeizaam. Hij miste afspraken, betaalde soms niet, verdroeg niet dat ik hem daarop wees, vroeg extra afspraken aan waarvoor ik me vrijmaakte en die hij soms niet nakwam. Hij leek een bijzondere interesse te hebben voor mijn privéleven en precies op de dag dat ik zelf een moeilijke diagnose te horen kreeg, zei hij koudweg: “Ik ben veel geliefden kwijt. Mensen die mij graag zien, overleven dat niet.”

Soms schold hij me de huid vol. Maar ik hield stand, en hij hield stand met mij. Ik vroeg of verwachtte niets, maar luisterde met interesse. Op een uitdagende toon liet hij nu en dan weten dat hij al die tijd geen enkele vordering had geboekt. Toch bleef hij komen. De eerste twee jaar begon hij elke sessie met de vraag: “Waarom hield ze niet van me?” En elke sessie dacht ik daar opnieuw over na, alsof de vraag voor het eerst kwam. Op zeker ogenblik voelde ik een verschuiving: ik had de lange, twee jaar durende vuurproef overleefd en ik kreeg nu niet alleen zijn vertrouwen – misschien gaf hij me dat wel van meet af aan –, maar hij sprak het nu ook uit. Met dat vertrouwen kwam bovendien iets anders, iets nieuws, iets kwetsbaars: hij vertrouwde me zijn hoop toe. Ik mocht die bewaren tot de dag waarop ik hem die hoop teruggaf, waarna hij zelf zijn weg zou gaan, min of meer fluitend, min of meer zonder mij.

En dat is wat inderdaad gebeurde. Hugo zat gevangen in een “verpletterende herhalingsdwang”, die zich in het bijzonder in het liefdesleven op een zeer pijnlijke manier te kennen geeft. Hij heeft altijd een voorkeur gehad voor meer afstandelijke vrouwen, naar het beeld van zijn moeder, die door haar alcoholverslaving vaak onbeschikbaar was. De kleine jongen heeft toen wellicht (onbewust) iets aan zichzelf beloofd in de aard van: “Nu lukt het me niet om zo interessant of onweerstaanbaar te zijn, dat mama wel van me moet houden, maar wacht maar …”

In het gezelschap van ietwat koele vrouwen kwam die oude belofte weer naar boven en werd Hugo verliefd. Omdat hij (onbewust) vrouwen koos die afstandelijker zijn dan gemiddeld, werd hij ook vaker dan gemiddeld in de steek gelaten. En die ervaring verpletterde hem, hij begreep niet wat hem overkwam, laat staan hoe hij zijn leven anders kon aanpakken. Dankzij onze gesprekken ging hij inzien dat hij zelf ook een hand had in die dynamiek. Hij ontwikkelde een stukje zelfspot en -sturing. Zijn nieuwe geliefde was statig en trots, maar ook hartelijk en oprecht verliefd.

Als we bij “uitzichtloos” psychisch lijden zeggen dat iemand “alles heeft geprobeerd”, dan denken we aan medicatie of aan behandelingen als EMDR of gedragstherapie. Maar daar gaat het niet over. Bij zwaar mentaal lijden is het enige wat kan helpen de ontmoeting met een therapeut, die bereid is tot mentale acrobatische hoogstandjes en die onvermoeibaar en geduldig meeslingert aan de liaan waaraan de patiënt zich vastklampt, zonder zelf grip te verliezen.

Dat soort klinisch werk wordt aan de universiteiten niet onderwezen, omdat we mentale zorg nog altijd als medische zorg beschouwen. Maar als je kanker hebt, dan wil je tot elke prijs genezen, terwijl dat net niet het geval is als je zwaar depressief bent. Geestelijke gezondheidszorg is nog altijd afgestemd op patiënten die bereid zijn mee te gaan met de behandeling. Ondertussen vallen de zwaarst getroffen mensen uit de boot.

Is het niet schrijnend dat we hun “een waardige dood” aanbieden, eerder dan een aangepaste behandeling?


De l’impossibilité d’être “en fin de parcours thérapeutique”

En Flandre, l’acteur Aron Wade a choisi de mourir par euthanasie pour raison psychique à 54 ans. Il semblait se débattre avec de lourdes dépressions et mentionnait la douleur écrasante de ne pouvoir faire ni avec ni sans les autres. Quand en Belgique on parle de ‘fin de parcours thérapeutique’, on énumère fréquemment le fait qu’une personne ait déjà essayé un nombre de types de thérapies (ex. médicaments, EMDR, TCC etc.). Or, le plus souvent la seule thérapie adaptée à ce type de détresse existentielle, la rencontre avec un clinicien, qui est prêt à s’investir sur la durée et patiemment dans un parcours de haute voltige clinique (car, le patient va d’abord tester l’implication inconditionnelle du clinicien), n’est souvent pas proposée. En effet, ce n’est pas le type de thérapies que l’on enseigne aux universités du fait que la santé mentale fait encore partie de la médecine. Le patient qui reçoit un diagnostique de cancer va tout faire pour en guérir, mais ce n’est précisément pas le cas pour le patient mélancolique. N’est il pas navrant que la proposition soit plutôt celle d’une ‘mort digne’ que celle d’une prise en charge adaptée ?

Niet de smartphone maakt ons ongelukkig, dat doen we zelf

We denken graag dat stoorzenders van buitenaf ons leven moeilijk maken, schrijft Ariane Bazan. Terwijl we zelf onze grootste stoorzender zijn.


19.09.24, Niet de smartphone maakt ons ongelukkig, dat doen we zelf. Column. De Standaard.

Met het nieuwe schooljaar komen strengere regels voor het gebruik van gsm’s in de klas. Dat is een welkome ontwikkeling, maar het smartphonegebruik is daarom nog geen “digitaal vergif voor de aandacht” – toch niet meer dan veel vroegere uitvindingen. “De overdrijving van alle communicatiemiddelen onderwerpt de geest aan algemene opwinding en nervositeit. We leven onder een voortdurend regime van verstoring. Onze lichamen en geesten moeten evenzoveel beelden, muziekjes (…) politieke en economische angst verwerken als de gehele mensheid over de drie vorige eeuwen.”

Dit is geen fragment uit De afspraak, het komt van de Franse auteur Paul Valéry uit 1939, die de toen pas uitgevonden telegraaf hekelt. Maar wellicht vinden we dat soort klachten terug doorheen de hele geschiedenis. Bij de uitvinding van de landbouw kwam de druk van de seizoenen, bij de uitvinding van de klok die van de tijd. We dachten lang dat treinreizen een zenuwziekte veroorzaakte en dat televisie de jeugd zou bederven.

We denken dat wat ons ongelukkig maakt van buitenaf komt, maar “al het ongeluk van mensen heeft maar één oorzaak: we kunnen niet gewoon rustig in een kamer blijven zitten”, zoals de Franse filosoof Blaise Pascal zegt. Als er geen externe stoorzender is, dan zoeken we er één. “Misschien vraagt ons systeem wel om afgeleid te worden”, oppert de fysicus Etienne Klein vorig weekend op de Franse openbare radiozender France Culture, “en het gebruik van de smartphone toont dat aan, maar veroorzaakt het niet.” We zijn spontaan ongedurig en uitwendige animatie leidt ons net af van interne onrust. Omdat de belangrijkste bron van onrust niet van buiten komt, is er geen eenvoudige ingreep in onze omgeving die mensen tot volop aandachtig maakt.

Op dezelfde manier gaan we ervan uit dat mensen, zonder storing door de omgeving of zonder biologisch defect, min of meer redelijk zijn, opzoeken wat fijn is en mijden wat hen schaadt. Wie een beetje heeft geleefd, weet van zichzelf en van anderen dat het ook vaak niet zo is, en dat we tegen wil en dank blijven poetsen wat al proper is, fobisch zijn voor wat geheel ongevaarlijk is en ondanks onze goede voornemens in ruzies met buren of collega’s blijven belanden of partners opzoeken die ons vernietigd achterlaten. Ook dat is geen gevolg van een storing of ziekte, maar heeft te maken met onze psychische architectuur.

De moeilijkheid om tot evenwicht te komen is dus veeleer het gevolg van hoe we gebouwd zijn, dan van externe stoorzenders. Nu is het niet zo gek dat een zekere mate van storing al in ons bouwplan zit. Als we er niet van uitgaan dat een ingenieur de mens heeft ontworpen, dan is ook de mens niets meer dan het resultaat van blinde natuurlijke selectie. Het criterium voor selectie is: wat goed genoeg is om te overleven en zich voort te planten. Vanuit evolutionair standpunt is mentaal evenwicht of geluk geheel onbelangrijk, als de soort maar overleeft en zich voortplant.

Toch hanteren we zowel in de geestelijke gezondheidszorg als in de politiek het idee dat normaliteit ongeveer gelijkstaat aan evenwicht en wegen we nieuwe ontwikkelingen verkeerdelijk af aan een uitgangswaarde van rust. Dat verraadt dat we over onze mentale capaciteiten teleologisch en intuïtief nadenken. Teleologisch, omdat we vertrekken van het eindpunt: we gaan ervan uit dat evenwicht of tevredenheid of zelfs geluk er de facto kan zijn, zonder uit te leggen hoe en waarom dat zo zou zijn. En intuïtief, omdat we graag willen dat geluk inderdaad aan de basis ligt.

Toen de chemie nog alchemie was, dachten we intuïtief dat water een eenvoudig element was, zoals vuur, lucht en aarde. Dat water een composiet was, vond iedereen absurd, tot Lavoisier experimenteel de samenstelling H₂O kon aantonen. Toen biologie nog Lamarckiaans was, dachten we teleologisch dat de planten- en diersoorten, die zo precies aan hun omgeving aangepast waren, ontworpen waren in functie van die omgeving. Dat soorten blind zouden ontstaan, vond iedereen absurd, tot Darwin de evolutietheorie neerschreef die dankzij het experimentele onderzoek van Mendel bevestiging kreeg.

Maar voor het mentale hanteren we nog altijd intuïtieve en teleologische denkbeelden. Misschien verkeren we vandaag nog steeds in de voorwetenschappelijke periode van de psychologie. Dat is problematisch, want zonder correcte kaart van de menselijke geest varen we blind, zowel in de geestelijke gezondheidszorg als in het politiek organiseren van het menselijk samenleven.


Le malheur ne vient pas du téléphone portable, mais de notre condition

Quand nous dénonçons les menaces de notre temps, comme l’influence du téléphone portable sur la jeunesse, nous faisons une comparaisons implicite avec une référence, qui serait celle du bonheur ou de la stabilité ou d’une certaine harmonie. Or, les seules contraintes qui ont pesé sur l’architecture de la condition humaine, comme pour toutes les espèces vivantes, sont celles de la sélection naturelle, qui est aveugle et pour laquelle ne compte que la capacité de survivre et de se reproduire. L’idée d’un état de référence qui serait d’abord ‘normal’ ou ‘harmonieux’ trahit une pensée téléologique en psychologie. La psychologie de notre époque, dont les principes de base semblent être intuitifs et empreints de téléologie, est finalement peut-être encore préscientifique.