Het biologische breinonderzoek heeft ons nauwelijks iets kunnen bijbrengen om mentale aandoeningen te verklaren, schrijft Ariane Bazan. Dat is een erg belangrijk inzicht: het psychische vraagt om een eigen wetenschap.
Het religieuze gevoel onder jongeren neemt toe. Het gaat bovendien gepaard met een concreet engagement: zo kende de Semana Santa in Spanje vorige week een opvallend succes, met jongeren die zich actief inzetten voor verschillende broederschappen. Remco Evenepoel verklaart dat hij vaak bidt, en zanger-acteur Maksim Stojanac zegt dat hij regelmatig naar de kerk gaat. Mensen zijn op zoek naar zingeving – dat is ook volgens Hans Geybels, godsdienstwetenschapper aan de KU Leuven, de eerste verklaring voor dat fenomeen, zoals hij vorige week zei in het radio 1-programma De wereld vandaag. De grote verhalen van weleer, zoals het socialisme of het liberalisme, overtuigen niet langer. Francis Fukuyama voorspelde eind vorige eeuw “het einde van de geschiedenis”, waarbij de liberale democratie als eindpunt werd voorgesteld – een moment waarop, zo stelde hij, geen nieuwe of betere vorm van zingeving meer denkbaar zou zijn.
Sinds 1990, en zeker in het laatste decennium, ontwikkelt zich nochtans een ander belangrijk fenomeen, dat ook een deel van het verlies aan zingeving kan verklaren, maar waarvoor we opvallend blind zijn. We leven er midden in, en juist daardoor zien we het niet scherp. Maar over een eeuw of twee zullen we terugblikken op een cruciaal keerpunt. We merken het ook nauwelijks op, omdat het gaat om een afwezigheid – het uitblijven van bepaalde resultaten, waarin we alle hoop hadden gesteld.
Zijn we met zijn allen ‘beleefdheidshalve’ dat enthousiasme uit het begin van de jaren 90 vergeten, toen de eerste spectaculaire breinbeelden verschenen? De methodologische doorbraken die het mogelijk maakten het brein rechtstreeks in werking te zien – PET-scan, fMRI, magneto-encofalografie – volgden elkaar op, en tegelijk steeg ook bij het publiek de spanning. Eindelijk zouden we een inkijk krijgen in het intieme leven van de neuronen en de etherische geest van de mens; eindelijk zouden we de ons eeuwig ontsnappende geest kunnen vatten. Sinds 1990 liepen de wereldwijde investeringen in hersenonderzoek op tot miljarden euro’s, met grote nationale en supranationale programma’s zoals het Amerikaanse Brain Initiative (sinds 2013, met inmiddels meer dan 3 miljard dollar), het Europese Human Brain Project (2013–2023, met een uiteindelijke investering van circa 600 miljoen euro), en het Chinese China Brain Project (gestart in 2016 met naar schatting een half miljard euro). En hoewel dat heeft geleid tot nieuwe en meer gedetailleerde kennis van de hersenen, blijft de prevalentie van mentale aandoeningen wereldwijd stijgen, zijn klassieke behandelingen grotendeels onveranderd gebleven en heeft het hersenonderzoek de therapeutische praktijk niet wezenlijk getransformeerd.
We vergeten welwillend, en onbewust solidair met de prestigieuze onderzoekers, onze grote hoop van toen op een oplossing voor de psychische ziektes. We vergeten daarmee ook, terloops, de miljarden euro’s die geïnvesteerd werden. Maar dat de berg een muis heeft gebaard, ook al gaat dat met weinig misbaar gepaard, is niet zonder gevolgen. We zoeken andere toegangen tot zingeving en dat doen we vaker los van, of zelfs met een afkeer van de wetenschap. Dat is niet zonder gevaar, want zodra wetenschap ‘een overtuiging zoals een andere’ wordt, lonken duistere tijden waarin behalve religie ook bijgeloof welig tiert, met parallelle waarheden en eigenzinnige praktijken – zoals het weigeren van vaccinatie – waarvan we de autoriteit niet langer aan officiële instellingen overlaten, maar aan individuele intuïtie of alternatieve bronnen.
Opvallend is dat we de wetenschappers niet vragen om hun falen te verklaren en dat is een gemiste kans. Want we hebben wel degelijk iets fundamenteels ontdekt: het psychische gaat niet over neuronen. Dat psychologie geen breinwetenschap is, mogen we nu wel zeggen, nadat we er zo hard naar gezocht hebben – en dat is enorm. Met recht en reden kunnen we nu pas stellen dat de geest verzorgen niet een kwestie van biologie is, maar van psychologie. En dat doen we met taal, met woorden en woordbrokken, met rebussen en metaforen, en met verhalen – een volledig instrumentarium dus, dat vraagt om een eigen wetenschap, autonoom, los van de biologie. Niks geen einde van de geschiedenis, maar een heel nieuw begin.
Pour une psychologie autonome face à l’échec des neurosciences cliniques. Malgré des investissements massifs dans la recherche cérébrale depuis les années 1990, les avancées cliniques dans la compréhension et le traitement des troubles psychiques restent limitées. Ce constat conduit à repenser en profondeur l’idée selon laquelle les maladies mentales pourraient être expliquées par l’activité neuronale. La recherche en neurosciences révèle ainsi une donnée essentielle : la science du psychique n’est pas celle du cerveau. Le soin psychique ne relève pas de la biologie, mais de la psychologie – entendue comme une discipline fondée sur le langage, les récits, les rébus et les métaphores. Ce constat appelle à reconnaître une véritable autonomie scientifique de la psychologie, à côté des neurosciences, sans y être subordonnée. Il s’agit aussi de ne pas laisser les citoyens se détourner de toute approche scientifique, faute d’alternative crédible aux promesses non tenues des neurosciences.