Waarom mensen steeds hetzelfde trauma willen herbeleven

De basismodule voor het effect van het verleden is niet herinnering, maar herhaling, schrijft Ariane Bazan. Daarom zoeken mensen steeds weer dezelfde miserie op.

De Standaard, donderdag 14 mei 2025.

Het was moeilijk om deze week geen verband te zien tussen de beelden van de uitgehongerde inwoners van Gaza en die van de uitgemergelde overlevenden uit de naziconcentratiekampen. Ik besef dat die vergelijking een gevaarlijke evenwichtsoefening is, met het risico op beschuldiging van antisemitisme.

Nu kreeg ik deze week ook onthutsend nieuws over een vroegere patiënt, die te maken kreeg met een soort morbide herhaling in zijn leven. Toen Henk bij me op consultatie kwam, was zijn relatie met zijn eerste vrouw net beëindigd. Door de gesprekken heen kwam er rust en hij trouwde opnieuw.

Op een opendeurdag vorig weekend, zei aan het tafeltje naast mij een vrouw, hoorbaar voor iedereen, dat ze “op slag bij haar ex vertrokken was, toen ze plots haarscherp besefte dat langer bij Henk blijven haar fataal zou worden”. Ik keek om en herkende de dame: het was Henks tweede vrouw. Een koude rilling liep over mijn rug: dat waren exact dezelfde woorden die Henks eerste vrouw had gebruikt bij haar vertrek. Zij was toen, met meerdere maagzweren en sterk verzwakt, in het ziekenhuis opgenomen, en verbrak daarna de relatie.

Henk had als pasgeborene eerst zijn vader verloren. Toen hij vier was, stierf ook zijn moeder aan een overdosis. Als je te maken hebt met trauma, zeker met vroeg en zwaar trauma, dan probeer je in je verdere leven onbewust dat trauma te herhalen, vertel ik de volgende dag in mijn les. We hebben het mis over hoe de mens omgaat met zijn verleden. We denken dat we mentale plaatjes maken van wat we beleven, en dat we achteraf de donkere beelden weggooien om alleen de fijne te bewaren. Dat is hoe we het graag willen, en daarom verklaren we het tot norm: wat fijn is, zoeken we te herhalen en wat pijnlijk is, vermijden we. Alsof we van bij de geboorte over een mechanisme kunnen beschikken dat selecteert wat blijft en wat verdwijnt.

Dat is natuurlijk een beetje tovenarij. De biologische materie vanwaaruit een psychisch systeem vorm krijgt, is in wezen waardevrij – het is een “meedogenloos onverschillige” natuur, zoals de bioloog Richard Dawkins schrijft. Onze weefsels zijn niet georganiseerd om ons geluk of plezier te laten beleven, maar om ons te laten overleven en erop toe te zien dat we ons voortplanten.

Om te kunnen overleven, zijn we wel biologisch uitgerust om ‘evenementen’ te onderscheiden van ‘gebeurtenisloze belevingen’ en om ons door die gebeurtenissen te laten veranderen. Alles wat onverwacht of heftig is, lokt een dopaminerge reactie uit, waardoor neuronale trajecten sensitief worden. Wat zo wordt geregistreerd, is niet de gebeurtenis zelf, maar wat we op dat precieze moment doen met ons lichaam, onze blik, onze gedachten. Wordt later een van die reacties opnieuw uitgelokt, dan worden de andere handelingen mee aangezet.

Precies daarom is de basismodule voor het effect van het verleden niet herinnering, maar herhaling. Als die herhaling een aangename sequentie oproept, spreken we over een “mooie herinnering”. Als ze nuttig blijkt, noemen we het “leren” of “ervaring”. Maar eigenlijk werkt ons mentale systeem op net dezelfde manier als we eerdere miserie opnieuw opzoeken.

Wat Henk doet, vertel ik verder aan mijn studenten, is herhalen. Als kind weet hij het overlijden van zijn ouders aan zichzelf – want dat is wat kinderen doen. In zijn mentale beleving is hij ‘dodelijk’ geweest voor de mensen die hij het liefst zag. Om van dat trauma te genezen, probeert hij nu te bewijzen dat geliefden hem kunnen “overleven”, ook al richt hij onbewust bijzonder veel schade aan. Herhalingsdwang is demonisch, schrijft Freud.

Henk en zijn partners betalen een zware prijs voor zijn onbewuste herhaling en niets garandeert dat hij een vrouw zal vinden die zijn destructiviteit kan trotseren en zo zijn herhalingsdwang kan stoppen.

Maar ook op het wereldtoneel wordt een zware prijs betaald. Wat de inwoners van Gaza betreft, lijkt het me geenszins antisemitisch of vergoelijkend om te stellen dat het onnoemelijke leed dat de Joden werd aangedaan, in het leed van de Palestijnen een demonische herhaling vindt.

Maar voorbij dat rechtstreekse leed, lijkt er onbewust nog een andere partij betrokken te zijn bij de herhaling: de zwijgende of medeplichtige buur – een overgroot deel van Europa toen – wiens zwakke of laffe houding ook diep heeft gekwetst. Nu we opnieuw beelden te zien krijgen van duizenden verdwaasde en uitgehongerde burgers is de vraag: zal de wereld ook nu weer zwijgend, vergoelijkend en zelfs medeplichtig toekijken?

Pourquoi les humains souhaitent-ils rejouer les mêmes traumatismes ? La répétition, et non la mémoire, est la principale voie par laquelle le passé continue d’agir. Face à des traumatismes précoces, les individus rejouent souvent inconsciemment les mêmes situations douloureuses, dans l’espoir d’en modifier l’issue. Ce phénomène, que Freud appelait la “compulsion de répétition”, se manifeste aussi bien dans les trajectoires individuelles que dans les dynamiques collectives. Un exemple clinique montre comment un homme reproduit les mêmes relations destructrices, avec pour enjeu la réparation d’un traumatisme inaugural. Cette répétition inconsciente engendre une souffrance écrasante, tant pour les victimes que pour les témoins. À l’échelle mondiale, certains conflits réactivent également des blessures historiques non résolues. Et alors que nous voyons à nouveau des images de civils hagards et affamés, une question cruciale se pose : le monde restera-t-il, une fois encore, silencieux, complaisant — voire complice ?

Onderschat de psychische impact van een vonnis niet

Geen straf voor verkrachting leidt tot een gevoel van straffeloosheid, schrijft Ariane Bazan. De dader een cursus traumapsychologie en psychoseksualiteit laten volgen ware beter geweest.

De Standaard, 4 april 2025.

Hoe gevoelig de strafmaat ligt bij een rechterlijk vonnis, bleek nog maar eens na de merkwaardige opschorting voor de 24-jarige geneeskundestudent uit Leuven, die schuldig is aan verkrachting. Als we een ander schade berokkenen – en dat doen we zodra we die persoon als een ding behandelen, wat hier kennelijk het geval was – is er schuld. De rechtspraak kan erop toezien dat we als groep, inclusief de dader, toch weer samen verder kunnen. Het vonnis, met inbegrip van de strafmaatregel, maakt dat mogelijk. Het zegt aan de dader: “Door deze mens te schaden, heb je de hele groep geschaad. We zetten je niet definitief uit de groep, maar je moet nu wel deze straf uitzitten om opnieuw een volwaardige plaats in de groep te kunnen innemen.”

Schuldbesef is niet in steen gebeiteld omdat de dader er expliciet en authentiek blijk van heeft gegeven. Als er geen of een te lichte straf is, kan het idee van straffeloosheid ontstaan, ook al hebben we schuldinzicht getoond. Mensen zijn niet zonder grensoverschrijdende foute gedachten. Bij een te lichte straf kan bij de dader het idee ontstaan dat hij er nog licht van af is gekomen en dat het dus misschien wel de moeite waard was. Omgekeerd, als de straf onredelijk zwaar is, krijgen we het bijzonder moeilijk en stapelen we rancune op: “Ik heb inderdaad een misstap begaan, maar deze straf is buiten proportie, ik word oneerlijk behandeld.”

Een correcte rechtspraak met een proportionele straf voorkomt beide reacties. Een straf heeft dus niet alleen een sociaal nut – het voorkomen van recidive – maar heeft ook en vooral mentale effecten. Net die mentale effecten zijn bepalend voor recidive. Op een paradoxale manier bevordert zowel het gevoel van straffeloosheid – “ik word toch niet gestraft” – als het gevoel van rancune – “de groep behandelt me toch niet fair” – de kans op recidive.

Aangepaste strafmaatregel

In dit concrete geval was een aangepaste strafmaatregel misschien een beter idee geweest. De jongeman geeft daar zelf de aanzet toe als hij zich bereid toont om vragen te beantwoorden en in gesprek te gaan. Justitie zou aangepaste strafmaatregelen in die richting kunnen uitspreken, zoals het verplicht volgen van een cursus traumapsychologie en psychoseksualiteit, of het verplicht deelnemen aan herstelgerichte conferenties. Dat zijn begeleide gesprekken waaraan daders, slachtoffers en andere betrokkenen (zoals familieleden of vrienden) op vrijwillige basis kunnen deelnemen. Omdat de strafmaatregel uitsluitend de dader moet treffen, gaat het uiteraard nooit over daders en slachtoffers van hetzelfde delict. Toch leiden zulke herstelgerichte conferenties vaak tot emotionele uitwisselingen die alle deelnemers door elkaar schudden. Het gevolg is een stukje vermenselijking, met het directe besef hoe misdaad mensenlevens schaadt, maar ook met het besef hoe snel mensen – alle mensen, ook zij van wie we het niet meteen verwachten – misstappen kunnen begaan. Zo’n cursus volgen of deelnemen aan zulke gesprekken verplicht een dader om een stuk van zijn tijd en van zijn aandacht te geven en op die manier zijn schuld af te lossen en tot inzicht te komen.

Dynamiek van wraak

Een strafmaatregel in die aard kan een tegengif zijn tegen de woekering van het gevoel van straffeloosheid en kan door haar proportionaliteit tegelijk rancune voorkomen. In een rechtsstaat is het essentieel om de strafmaatregel los te koppelen van de slachtofferbegeleiding: wat er moet gebeuren met de dader wordt niet afgestemd op wat het herstel van het slachtoffer bevordert. Dat lijkt hard, maar het is essentieel om een dynamiek van wraak te voorkomen. Toch zal een juiste aanpak van de dader zowel het slachtoffer als de groep helpen om makkelijker tot berusting te komen. Zonder dat die berusting het doel is van zo’n aangepaste strafmaatregel, zou het er uiteraard een welkom gevolg van kunnen zijn.


Ne sous-estimons pas l’impact psychique d’un verdict. Un jugement juste et proportionné ne se limite pas à prévenir la récidive : il permet au coupable d’assumer sa faute et de retrouver une place dans la société. Une peine trop légère peut entretenir l’idée que l’acte en valait la peine, tandis qu’une sanction trop lourde risque de nourrir le ressentiment et le sentiment d’injustice. Dans l’affaire récente d’un étudiant reconnu coupable de viol, mais qui n’a pas été condamné à une peine effective, une mesure alternative aurait peut-être été plus adaptée — comme l’obligation de suivre un cours de psychosexualité ou de psychologie du traumatisme, ou encore la participation à des conférences restauratives. Ces dispositifs visent à favoriser la prise de conscience des conséquences humaines d’un acte délictueux, tout en évitant la confusion entre la sanction infligée au coupable et la réparation attendue par la victime. Ils ouvrent également un espace pour l’humanisation — ou la réhumanisation — des rapports, condition nécessaire à toute forme de reconstruction individuelle et collective.

Ne sous-estimons pas l’impact psychique d’un verdict. Un jugement juste et proportionné ne se limite pas à prévenir la récidive : il permet au coupable d’assumer sa faute et de retrouver une place dans la société. Une peine trop légère peut entretenir l’idée que l’acte en valait la peine, tandis qu’une sanction trop lourde risque de nourrir le ressentiment et le sentiment d’injustice. Dans l’affaire récente d’un étudiant reconnu coupable de viol, mais qui n’a pas été condamné à une peine effective, une mesure alternative aurait peut-être été plus adaptée — comme l’obligation de suivre un cours de psychosexualité ou de psychologie du traumatisme, ou encore la participation à des conférences restauratives. Ces dispositifs visent à favoriser la prise de conscience des conséquences humaines d’un acte délictueux, tout en évitant la confusion entre la sanction infligée au coupable et la réparation attendue par la victime. Ils ouvrent également un espace pour l’humanisation — ou la réhumanisation — des rapports, condition nécessaire à toute forme de reconstruction individuelle et collective.

Hersenonderzoek leert ons niets over mentale aandoeningen

Het biologische breinonderzoek heeft ons nauwelijks iets kunnen bijbrengen om mentale aandoeningen te verklaren, schrijft Ariane Bazan. Dat is een erg belangrijk inzicht: het psychische vraagt om een eigen wetenschap.

De Standaard, 23 april 2025.

Het religieuze gevoel onder jongeren neemt toe. Het gaat bovendien gepaard met een concreet engagement: zo kende de Semana Santa in Spanje vorige week een opvallend succes, met jongeren die zich actief inzetten voor verschillende broederschappen. Remco Evenepoel verklaart dat hij vaak bidt, en zanger-acteur Maksim Stojanac zegt dat hij regelmatig naar de kerk gaat. Mensen zijn op zoek naar zingeving – dat is ook volgens Hans Geybels, godsdienstwetenschapper aan de KU Leuven, de eerste verklaring voor dat fenomeen, zoals hij vorige week zei in het radio 1-programma De wereld vandaag. De grote verhalen van weleer, zoals het socialisme of het liberalisme, overtuigen niet langer. Francis Fukuyama voorspelde eind vorige eeuw “het einde van de geschiedenis”, waarbij de liberale democratie als eindpunt werd voorgesteld – een moment waarop, zo stelde hij, geen nieuwe of betere vorm van zingeving meer denkbaar zou zijn.

Sinds 1990, en zeker in het laatste decennium, ontwikkelt zich nochtans een ander belangrijk fenomeen, dat ook een deel van het verlies aan zingeving kan verklaren, maar waarvoor we opvallend blind zijn. We leven er midden in, en juist daardoor zien we het niet scherp. Maar over een eeuw of twee zullen we terugblikken op een cruciaal keerpunt. We merken het ook nauwelijks op, omdat het gaat om een afwezigheid – het uitblijven van bepaalde resultaten, waarin we alle hoop hadden gesteld.

Zijn we met zijn allen ‘beleefdheidshalve’ dat enthousiasme uit het begin van de jaren 90 vergeten, toen de eerste spectaculaire breinbeelden verschenen? De methodologische doorbraken die het mogelijk maakten het brein rechtstreeks in werking te zien – PET-scan, fMRI, magneto-encofalografie – volgden elkaar op, en tegelijk steeg ook bij het publiek de spanning. Eindelijk zouden we een inkijk krijgen in het intieme leven van de neuronen en de etherische geest van de mens; eindelijk zouden we de ons eeuwig ontsnappende geest kunnen vatten. Sinds 1990 liepen de wereldwijde investeringen in hersenonderzoek op tot miljarden euro’s, met grote nationale en supranationale programma’s zoals het Amerikaanse Brain Initiative (sinds 2013, met inmiddels meer dan 3 miljard dollar), het Europese Human Brain Project (2013–2023, met een uiteindelijke investering van circa 600 miljoen euro), en het Chinese China Brain Project (gestart in 2016 met naar schatting een half miljard euro). En hoewel dat heeft geleid tot nieuwe en meer gedetailleerde kennis van de hersenen, blijft de prevalentie van mentale aandoeningen wereldwijd stijgen, zijn klassieke behandelingen grotendeels onveranderd gebleven en heeft het hersenonderzoek de therapeutische praktijk niet wezenlijk getransformeerd.

We vergeten welwillend, en onbewust solidair met de prestigieuze onderzoekers, onze grote hoop van toen op een oplossing voor de psychische ziektes. We vergeten daarmee ook, terloops, de miljarden euro’s die geïnvesteerd werden. Maar dat de berg een muis heeft gebaard, ook al gaat dat met weinig misbaar gepaard, is niet zonder gevolgen. We zoeken andere toegangen tot zingeving en dat doen we vaker los van, of zelfs met een afkeer van de wetenschap. Dat is niet zonder gevaar, want zodra wetenschap ‘een overtuiging zoals een andere’ wordt, lonken duistere tijden waarin behalve religie ook bijgeloof welig tiert, met parallelle waarheden en eigenzinnige praktijken – zoals het weigeren van vaccinatie – waarvan we de autoriteit niet langer aan officiële instellingen overlaten, maar aan individuele intuïtie of alternatieve bronnen.

Opvallend is dat we de wetenschappers niet vragen om hun falen te verklaren en dat is een gemiste kans. Want we hebben wel degelijk iets fundamenteels ontdekt: het psychische gaat niet over neuronen. Dat psychologie geen breinwetenschap is, mogen we nu wel zeggen, nadat we er zo hard naar gezocht hebben – en dat is enorm. Met recht en reden kunnen we nu pas stellen dat de geest verzorgen niet een kwestie van biologie is, maar van psychologie. En dat doen we met taal, met woorden en woordbrokken, met rebussen en metaforen, en met verhalen – een volledig instrumentarium dus, dat vraagt om een eigen wetenschap, autonoom, los van de biologie. Niks geen einde van de geschiedenis, maar een heel nieuw begin.


Pour une psychologie autonome face à l’échec des neurosciences cliniques. Malgré des investissements massifs dans la recherche cérébrale depuis les années 1990, les avancées cliniques dans la compréhension et le traitement des troubles psychiques restent limitées. Ce constat conduit à repenser en profondeur l’idée selon laquelle les maladies mentales pourraient être expliquées par l’activité neuronale. La recherche en neurosciences révèle ainsi une donnée essentielle : la science du psychique n’est pas celle du cerveau. Le soin psychique ne relève pas de la biologie, mais de la psychologie – entendue comme une discipline fondée sur le langage, les récits, les rébus et les métaphores. Ce constat appelle à reconnaître une véritable autonomie scientifique de la psychologie, à côté des neurosciences, sans y être subordonnée. Il s’agit aussi de ne pas laisser les citoyens se détourner de toute approche scientifique, faute d’alternative crédible aux promesses non tenues des neurosciences.